• Menu

  • Visiting

  • Shop

  • Languages

  • Accessibility
Visiting Info
Opening Hours:

Sunday to Wednesday: ‬08:30-17:00
Thursday: 8:30-20:00 *
* The Holocaust History Museum, Museum of Holocaust Art, Exhibitions Pavilion and Synagogue are open until 20:00. All other sites close at 17:00.

Fridays and Holiday eves: ‬08:30-14:00

Yad Vashem is closed on Saturdays and all Jewish Holidays.

Entrance to the Holocaust History Museum is not permitted for children under the age of 10. Babies in strollers or carriers will not be permitted to enter.

Drive to Yad Vashem:
For more Visiting Information click here

Beknopte encyclopedie van de Holocaust

Met dank aan Yannick Servais voor zijn inzet en bijdrage aan het tot standkomen van deze beknopte encyclopedie.

Encyclopedia of the Holocaust, In Association with Yad Vashem, The Holocaust Martyrs' and Heroes' Remembrance Authority, Dr. Robert Rozett and Dr. Shmuel Spector, Editors, Yad Vashem and Facts On File, Inc., Jerusalem Publishing House Ltd, 2000.

Leider van de opstand in het getto van Warchau. De kibboets Yad Mordechai is genoemd naar Anielewicz.
Anielewicz werd geboren in Warschau en werd op jonge leeftijd leider van de zionistische jeugdbeweging Hasjomeer Hatsaïr. Toen de oorlog begon vluchtte Anielewicz uit Warschau naar Vilna in het door de Russen bezette oosten van Polen. Hij trachtte een vluchtroute naar Palestina op te zetten, maar werd opgepakt door de Russische autoriteiten. Na zijn vrijlating leidde Anielewicz een poging om een groep terug te sturen naar het door Duitsland bezette deel van Polen om de activiteiten van de beweging in het geheim voort te zetten. Anielewicz zelf stelde zich als eerste vrijwilliger beschikbaar. Hij hielp bij de publicatie van een ondergrondse krant en organiseerde bijeenkomsten en congressen. Hij maakte ook illegale uitstapjes buiten Warschau om bondgenoten in andere getto’s op te zoeken.

Juni 1941, toen de berichten over de massamoord op de Joden hem bereikten, zette Anielewicz een defensieve organisatie op in het getto van Warschau. In de zomer van 1942 deporteerden de Duitsers alle Joden uit het getto van Warschau, op 60.000 mensen na. Anielewicz zag in dat de Joodse Militante Organisatie (Zydowska Organizacja Bojowa, ZOB) erg zwak was. Hij blies de groepering nieuw leven in. De meeste andere Joodse ondergrondse groeperingen sloten zich vervolgens bij de ZOB aan. In november 1942 werd Anielewicz hun leider.

Op 18 januari 1943 verrasten de Duitsers de ZOB met een tweede deportatie.De ZOB leverde een straatgevecht, geleid door Anielewicz. Vier dagen later stopten de Duitsers de deportatie. De Joden vatten dit op als een overwinning door hun verzet. De drie daaropvolgende maanden leidde Anielewicz de intensieve voorbereidingen van de ZOB voor de volgende strijdronde.

De laatste deportatie van de Joden uit Warschau begon op 19 april 1943. Deze deportatie was het signaal voor het verzet om de opstand in het Getto van Warschau te beginnen, die door Anielewicz werd geleid. Na een heftige strijd trokken Anielewicz en vele van zijn soldaten zich terug in de bunker op Milastraat 18. Hoewel hij inzag dat het einde naderde, schreef Anielewicz: ‘Mijn droom is uitgekomen; ik heb geleefd om het Joodse verzet in het getto in al zijn grootsheid en glorie te zien.’ De bunker viel op 8 mei. De meeste ZOB-leden, onder wie Anielewicz, werden vermoord. (Zie ook Joodse strijd organisatie, Warschau en verzet, Joods.)

De haat jegens Joden als groep of jegens Joden als begrip. De term antisemitisme komt voor het eerst voor aan het eind van de jaren zeventig van de negentiende eeuw, en wordt sindsdien gebruikt voor alle soorten Jodenhaat, zowel historisch als in de moderne tijd. Het woord zelf is afgeleid van het feit dat het Hebreeuws tot de Semitische talenfamilie behoort en dat de Joden dus Semieten moeten zijn. Veel andere talen, zoals het Arabisch en het Ethiopisch, behoren eveneens tot de semitische talenfamilie, en via dezelfde redenering zouden andere volken dus ook Semieten kunnen worden genoemd. Er bestaat echter niet zoiets als semitisme en andere groepen zijn nooit het doelwit geweest van de haat en vooroordelen die worden aangeduid als antisemitisme. Het woord zelf is een goed voorbeeld van het feit dat Jodenhaters in de negentiende eeuw pretendeerden dat hun haat was gebaseerd op wetenschappelijke ideeën. Jodenhaat is geen modern fenomeen, maar vinden we al in de Oudheid.

raditioneel is antisemitisme gebaseerd op religieuze discriminatie van Joden door Christenen. De christelijke doctrine was doortrokken van de idee dat de Joden schuldig waren aan de dood van Jezus, en daarom dus moesten worden gestraft (dit staat bekend als de Mythe van de Deïcide, of de moord op God). Iets anders wat de Jodenhaat onder de Christenen aanwakkerde was de Vervangingsmythe, die claimde dat het Christendom het Judaïsme had vervangen, omdat de Joden hadden gefaald in hun rol als door God uitgekozen volk – en het dus verdienden te worden gestraft, zeker door de christelijke wereld. Door de eeuwen heen onstonden er diverse stereotypen van Joden. Individuele Joden werden niet beoordeeld op hun persoonlijke daden of merites, maar werden vaak in het algemeen gezien als inhalig, duivels, afstandelijk, lui, geldzuchtig en oversekst. Soms werden Joden er zelfs valselijk van beschuldigd dat zij het bloed van christelijke kinderen zouden gebruiken als onderdeel van hun paasritueel (bekend als de Bloedlaster). De negentiende eeuw bracht de wereld de Verlichting – een filosofische beweging die zijn ideëen baseerde op de rede in plaats van traditionele religieuze dogma’s – en die vergezeld ging van sociale, humanitaire en politieke vooruitgang. Het antisemitisme verdween echter niet tijdens de Verlichting, het veranderde alleen van vorm. In die tijd kregen Joden gelijke rechten in veel Europese landen, maar veel mensen gaven de uitdrukking aan hun Jodenhaat door zich af te vragen of Joden ooit werkelijk loyaal zouden kunnen zijn aan de opkomende nationale staten. Bovendien beschuldigden de mensen die tegen de modernisering en politieke veranderingen waren de Joden ervan achter de veranderingen te zitten.

In het jaar 1870 kwam bij het nieuwe politieke antisemitisme nog het raciale antisemitisme. Op basis van de Engelse natuurwetenschapper Charles Darwin – wiens bedoeling het nooit is geweest dat het buiten de wetenschap zou worden gebruikt – verklaarden Jodenhaters dat Joden een inferieur ras vormden op de revolutionaire schaal. Angezien het probleem in het fysieke, het genetische zat, kon het niet worden veranderd, assimilatie ten spijt. Tot deze nieuwe vorm van antisemitisme behoorde ook de idee dat Joden verantwoordelijk zouden zijn voor de problemen op deze wreld vanwege hun ras. 

In Duitsland kwam deze wijze van denken tot uitdrukking in een politieke, nationalistische beweging die de völkische beweging heette. De vertegenwoordigers van deze groepering waren tegen de industrialisering en secularisatie die het gevolg waren van de modernisering, omdat zij ervan overtuigd waren dat industrialisering en secularisatie de traditionele Duitse cultuur zouden vernietigen. Zij beschuldigden de Joden ervan de traditionele Duitse leefwijze te ondermijnen en stelden dat de Duitse Joden niet werkelijk deel uitmaakten van het Duitse volk. Aan het eind van de negentiende eeuw kwamen er diverse antisemitische politieke partijen op in Duitsland, die nog verder groeiden in omvang nadat Duitsland de Eerste Wereldoorlog had verloren.

In Frankrijk stak het antisemitisme zijn kop op in de jaren 1890 tijdens de affaire Dreyfus, waarin een Joodse legerofficier door Jodenhaters valselijk werd beschuldigd van hoogverraad. In Rusland was het antisemitisme tijdens het tsaristische regime officieel regeringsbeleid. De bewegingsvrijheid van Joden was beperkt tot bepaalde gebiedenen, pogroms werden door de heersende klasse aangemoedigd. Pas na de februarirevolutie van 1917 kregen Joden gelijke rechten. Veel Joden namen deel aan de oktoberrevolutie, hetgeen antisemieten in heel Europa een nieuwe reden gaf om Joden te haten – aangezien Joden nu werden geassocieerd met de gehate communisten.

De NSDAP, die in 1919 werd opgericht en in 1933 nationale macht verkreeg in Duitsland, was een van de eerste politieke bewegingen die principieel was gebaseerd op racistisch antisemitisme. De nazi’s discrimineerden de Joden vanaf het allereerste begin van hun regime, eerst door rassenwetten in te stellen die de Joden afzonderden van de rest van de maatschappij, en later door mensen van het inferieure ras te vernietigen. In landen die samenwerkten met of waren bezet door de nazi’s hielpen lokale manifestaties van antisemitisme – of ze nu traditioneel, politiek of raciaal waren – het lot van de Joden bepalen. Zelfs in landen die tegen Hitler en de nazi’s waren, bestond tot op zeker hoogte antisemitisme, en sommige specialisten zijn ervan overtuigd dat deze antisemitische houding deze landen ervan weerhield meer te doen om de Joden uit de klauwen van de nazi’s te redden.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen het Westen zich realiseerde wat er in Europa was gebeurd, zwakte het antisemitisme grotendeels af. Veel kerken gaven hun grote fout toe om het traditionele Christelijke antisemitisme te cultiveren (paus Johannes Paulus II noemde antisemitisme een zonde), en sommige regeringen stonden niet langer antisemitische handelwijzen toe. Slechts een paar jaar na de oorlog kreeg het antisemitisme echter een nieuwe impuls in de Sovjet- Unie toen Joseph Stalin paranoïde werd jegens de Joden die in het land woonden en hen begon te vervolgen.

Bovendien gingen antisemieten (vooral Moslims die tegen het bestaan van de staat Israël waren) in de loop der jaren hun Jodenhaat camoufleren als anti-zionisme. De Verenigde Naties bleken dergelijk antisemitisch sentiment zelfs goed te keuren door in 1975 een resolutie aan te nemen waarin stond dat zionisme racisme is. Deze resolutie werd ten slotte in 1994 verworpen. De ontkenning van de holocaust en het neo-nazisme zijn andere vormen die uitdrukking geven aan antisemitisme in de moderne wereld, aangezien ze proberen het nazisme vrij te pleiten van zijn misdaden of het nazisme en de Jodenhaat zoals die in het verleden bestonden verheerlijken.

Auschwitz (in het Pools: Oswiecim). Grootste concentratiekamp en vernietigingskamp van de nazi’s, gelegen bij de Poolse stad Oswiecim, 60 kilometer ten westen van Krakau. Een zesde van alle Joden die door de nazi’s zijn vermoord werd vergast in Auschwitz. In april 1940 beval SS-chef Heinrich Himmler de bouw van een nieuw concentratiekamp in Oswiecim, een stad die was gelegen in het deel van Polen dat door de Duitsers aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was geannexeerd. De eerste Poolse politieke gevangenen kwamen in juni 1940 in Auschwitz aan. In maart 1941 waren er 10.900 gevangenen, nog steeds voor het merendeel Polen. Auschwitz raakte snel bekend als het meest wrede concentratiekamp van de nazi’s. In maart 1941 beval Himmler de bouw van een tweede, veel grotere afdeling van het kamp, op drie kilometer van het oorspronkelijke kamp. Deze plek moest gebruikt gaan worden als een vernietigingskamp. Het kreeg de naam Birkenau, of Auschwitz II. Uiteindelijk zaten de meeste gevangenen van het Auschwitz-complex in Birkenau, onder wie Joden, Polen, Duitsers en Zigeuners. Het kende ook de slechtste, meest onmenselijke omstandigheden – en er bevonden zich de gaskamers en crematoria van het complex.
Een derde afdeling, Auschwitz III, werd gebouwd in het nabijgelegen Monowitz, en bestond uit een kamp voor dwangarbeid, Buna-Monowitz geheten, en 45 subkampen waarin dwangarbeiders werden ondergebracht. De naam Buna was ontleend aan de Buna synthetische-rubberfabriek die op het terrein was gelegen en die het eigendom was van I.G. Farben, Duitslands grootste chemische concern. De voornamelijk Joodse gevangenen die in de fabriek en andere fabrieken die Duits eigendom waren werkten, werden tot totale uitputting gedreven om vervolgens door nieuwe werkkrachten te worden vervangen.

Auschwitz werd eerst geleid door kampcommandant Rudolf Höss, en werd bewaakt door een wreed regiment van doodshoofdtroepen van de SS. De staf werd bijgestaan door verscheidene bevoorrechte gevangenen die beter voedsel kregen, onder betere omstandigheden leefden en de mogelijkheid hadden te overleven als ze ermee instemden het wrede kampregime uit te voeren.

Auschwitz I en II waren afgezet met vier meter hoge hekken van prikkeldraad dat onder stroom stond, die werden bewaakt door SS-ers met mitrailleurs en geweren. De twee kampen werden verder ingesloten door een serie wachtposten op ongeveer een kilometer van de hekken.

Vanaf maart 1942 arriveerden er dagelijks treinen met Joden. Soms kwamen er meerdere treinen op een dag aan, die alle duizend of meer slachtoffers uit de Oost-Europese getto’s vervoerden, evenals uit West- en Zuid-Europese landen. Gedurende 1942 arriveerden er transporten uit Polen, Slowakije, Nederland, België, Joegoslavië en Theresienstadt. Ook in 1943 bleef men Joden en ook Zigeuners aanvoeren. In 1944 werden er Hongaarse Joden naar Auschwitz gebracht om te worden vermoord, evenals Joden uit de laatste Poolse getto’s. 

In augustus 1944 zaten er 105.168 gevangenen in Auschwitz. Nog eens 50.000 Joodse gevangenen zaten in de satellietkampen van Auschwitz. De bevolking van het kamp groeide voortdurend, ondanks het hoge sterftecijfer ten gevolge van de vernietigingen, honger, het harde werken en infectieziekten. 

Wanneer er Joden op het perron in Birkenau aankwamen, werden ze zonder hun bezittingen uit de wagons gegooid en gedwongen twee rijen te vormen, mannen en vrouwen gescheiden. SS-officieren, onder wie de beruchte arts Josef Mengele, voerden onderwijl selecties uit, waarbij de meeste slachtoffers naar één kant werden gedreven, voortbestemd om in de gaskamers te sterven. Een minderheid werd geselecteerd voor dwangarbeid. Degenen die waren voorbestemd te sterven werden diezelfde dag nog omgebracht en hun lichamen werden in de crematoria verbrand. Degenen die niet naar de gaskamers werden gestuurd werden in quarantaine geplaatst, waar hun haar werd afgeschoren, ze gestreepte gevangenispakken kregen en als gevangenen werden geregistreerd. Hun registratienummers werden op hun linkerarm getatoeëerd. De meeste gevangenen werden vervolgens uitgestuurd om dwangarbeid te verrichten in Auschwitz I, III, subkampen of andere concentratiekampen, waar hun levensverwachtingn niet meer dan een paar maanden was. Gevangen die in quarantaine bleven hadden een levensverwachting van enkele weken. 

De routine in het gevangennenkamp bestond uit vele plichten die moesten worden vervuld. Het dagelijkse schema bestond uit opstaan bij dageraad, het opruimen van de slaapplaats, ochtendappèl, de reis naar het werk, vele uren hard werken, het in de rij staan voor een armzalig maal, de terugtocht naar het kamp, inspectie van de barakken en het avondappèl. Tijdens het appèl moesten de gevangenen urenlang volledig bewegingloos en in stilte staan, in hun dunne kleren, wat voor weer het ook was. Wie viel of zelfs maar wankelde, werd gedood. Iedere gevangene moest op zijn eigen manier al zijn energie richten op het doorstaan van de dagelijkse martelingen.

De gaskamers in het Auschwitz-complex vormden de grootste en efficiëntste vernietigingsmethode van de nazi’s. In Birkenau waren vier kamers in gebruik, in elk waarvan dagelijks 6.000 mensen konden worden omgebracht. Ze waren zo gebouwd dat ze eruit zagen als doucheruimten, om de slachtoffers te misleiden: degenen die nieuw aankwamen in Bikenau werd verteld dat ze zouden moeten gaan werken, maar dat ze eerst moesten douchen en zouden worden gedesinfecteerd. Vervolgens werden ze naar de douche-achtige ruimten gebracht, waar ze snel werden vergast met het zeer giftige gas Zyklon B. 

Sommige gevangenen Auschwitz, onder wie tweelingen en dwergen, werden gebruikt voor op martelingen lijkenden medische experimenten. Ze werden getest op uithoudingsvermogen onder afschuwelijke omstandigheden zoals hitte en kou, of ze werden gesteriliseerd.

Ondanks de vreselijke omstandigheden waren er gevangenen in Auschwitz die erin slaagden de nazi’s te weerstaan, zoals in enkele gevallen van ontsnapping of gewapend verzet. In oktober 1944 slaagden leden van het sonderkommando, die in de crematoria werkten, erin een aantal SS-ers te doden en één gaskamer te vernietigen. Alle rebellen stierven. Zij lieten dagboeken na die authentieke documentatie vormen van de gruweldaden die in Auschwitz zijn begaan. 

In januari 1945 naderden de Russische troepen Auschwitz. De nazi’s die zich zo snel mogelijk wilden terrugtrekken, stuurden de meeste van de 58.000 overgebleven gevangenen op een dodenmars. De meeste gevangenen werden op weg naar Duitsland vermoord. Het Russische leger bevrijdde Auschwitz op 27 januari; de soldaten vonden nog slechts 7.650 gevangenen die nauwelijks leefden in het gehele kampcomplex. In totaal waren daar ongeveer één miljoen Joden vermoord.

Ravijn in het noordwesten van Kiev, de hoofdstad van Oekraïne, waar in 1941 meer dan 50.000 Joden werden vermoord.
De Duitsers namen Kiev op 19 september 1941 in. Een week later besloten zij de Joden in de stad massaal om te brengen. Op 28 september kregen de Joden het bevel zich de volgende morgen te verzamelen om ergens anders te worden gevestigd. Zij moesten naar het ravijn marcheren en toen ze de plek hadden bereikt moesten ze al hun waardevolle spullen afgeven. Vervolgens moesten ze hun kleren uittrekken en in groepjes van tien naar de rand van het ravijn lopen. Op het moment dat ze de rand van het ravijn bereikten werden ze neergeschoten door Einsatzkommando 4a en Duitse en Oekraïense politieagenten. Aan het einde van de dag werden de lichamen bedekt met een dunne laag modder. Na twee dagen schieten waren er 33.771 Joden gedood.
De daaropvolgende maanden werden nog duizenden anderen omgebracht bij Babi Yar, onder wie Joden, zigeuners en Russische krijgsgevangenen. In totaal werden zo’n 100.000 mensen vermoord. Degenen die trachtten zich te verbergen werden door de Oekraïners aan de Duitsers uitgeleverd. In juli 1943 keerden de Duitsers terug om het bewijs van de massamoorden te vernietigen als onderdeel van Aktion 1005.
Pas in 1974 werd een gedenksteen voor de vermoorden opgericht bij Babi Yar.

Vernietigingskamp in het district Lublin in Zuidoost Polen, gelegen aan de spoorlijn. De nazi’s begonnen in november 1941 met de bouw van Belzec in verband met de Aktion Reinhard, het plan van de nazi’s om twee miljoen Joden in het Gouvernement-General te vernietigen. In totaal werden 600.000 mensen, meest Joden en enige honderden zigeuners, in Belzec vermoord. 

Belzec werd eerst bestuurd door Christian Wirth. Hij werd geholpen door 20-30 Duitse SS-ers en 90-120 Oekraïense bewakers, die zich vrijwillig hadden gemeld en behoorden tot de krijgsgevangen uit Trawniki. Belzec was ruim zeven hectare groot en geheel omgeven door een omheining van prikkeldraad. Op elke hoek van het kamp stond een wachttoren. Het kamp was geheel gecamoufleerd, zodat van buitenaf niet kon worden gezien wat daarbinnen gebeurde. Belzec was in twee afdelingen verdeeld, in een ervan werden de Joden vermoord.

In februari 1942 werden de drie gaskamers van het kamp op verschillende groepen Joden getest. Op 17 maart opende Belzec officieel zijn poorten als vernietigingscentrum. In de eerste paar weken van het bestaan werden er 80.000 Joden vermoord, meer dan de helft kwam uit Lublin en Lvov. De operaties werden half april stilgezet, maar half mei kwamen er weer nieuwe transporten van duizenden Joden uit Krakow en het district Krakow binnen.

De Joden werden vervoerd in goederentreinen en reisden uren of zelfs dagen onder ondraaglijke omstandigheden. Velen stierven onderweg. Elke trein betsond uit 40-60 wagons. Bij aankomst in Belzec werden 20 wagons met meer dan 2.000 Joden ontkoppeld en het kamp ingetrokken . De Joden werden dan uit de wagons gehaald en kregen te horen dat zij in een doorgangskampskamp waren gearriveerd, zodat zij moesten worden gedesinfecteerd en gedoucht. Ze moesten al hun waardevolle voorwerpen afgeven. Mannen en vrouwen werden gescheiden en allen moesten zich uitkleden. Vervolgens werden ze in looppas naar de gaskamers gejaagd door schreeuwende Duitsers en Oekraïners, die hen ook nog sloegen. Vervolgesn werden zij vergast. In het begin duurde dit proces drie of vier uur, maar naarmate de Duitsers meer ervaring kregen, werd dat bekort tot 60-90 minuten.

De Duitsers waren echter nog steeds niet tevreden. Half juni zetten zij de transporten stil, zodat ze de gaskamers groter konden maken in een poging nog efficiënter te kunnen doden. De transporten kwamen in juli 1942 weer binnen en bleven regelmatig komen tot december, toen deze weer werden stilgezet omdat de meeste Joden in het Governement-General al waren gedood. In deze vijf maanden waren er 130.000 Joden uit het district Krakow binnengekomen, 225.000 uit het gebied Lvov en vele anderen uit de districten Lublin en Radom. 

Niet alle Joden werden direct na aankomst gedood: in de eerste weken van het bestaan van het kamp werden enige sterke jonge mannen geselecteerd om dwangarbeid te verrichten. Naarmate de tijd verstreek werden 700-1.000 mensen voor langere perioden in leven gehouden, zodat ze konden werken. Eėn groep werkte bij de treinen: ze maakten de wagons schoon, hielpen mensen uitstappen die dat niet zelfstandig meer konden en verwijderden de lijken van de Joden die de reis niet hadden overleefd. Een andere groep hield zich bezig met de bezittingen van de slachtoffers, door deze bruikbaar te maken voor de Duitsers. Hierbij werd zelfs het haar van de vrouwen bewerkt. Een andere groep van enige honderden Joden haalde de lijken uit de gaskamers en begroeven ze in kuilen. Een groep ‘tandartsen’ was verantwoordelijk voor het verwijderen van gouden tanden en kiezen uit de monden van de slachtoffers. Al deze arbeiders werden bijzonder slecht behandeld en van tijd tot tijd onderworpen aan selecties.

Tussen eind 1942 en voorjaar 1943 werden de massagraven opengelegd en de lijken verbrand in een poging de bewijzen van de massavernietiging te verbergen. Daarna werd het kamp gesloten en werden de laatste 600 gevangenen naar Sobibor getransporteerd. De plaats waar het kamp had gestaan werd veranderd in een boerderij en aan een Oekraïense bewaker gegeven.

Een van de grootste concentratiekampen in Duitsland op ongeveer acht kilometer van de stad Weimar. Het kamp werd op 16 juli 1937 opgericht en op 11 april 1945 bevrijd. Tijdens het bestaan van het kamp kwamen 230.980 gevangenen uit 30 landen in Buchenwald terecht. Van deze mensen werden er 43.045 gedood, onder wie krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie.

Buchenwald was verdeeld in drie afdelingen: het grote kamp, waar maatschappelijk hoger geplaatste gevangenen waren ondergebracht, het kleine kamp waar gevangenen onder een beperkt regime verbleven en het tentenkamp, dat in 1939 werd geïnstalleerd voor Poolse gevangenen. Er was ook een gedeelte voor bestuur en administratie, er waren SS-barakken, kampfabrieken en 130 satellietkampen.

Twee commandanten hadden de leiding over het kamp: SS-Standortenfűhrer Karl Koch van 1937-1941 en SS-Oberfűhrer Hermann Pister 1942-1945.

In juli 1937 kwam de eerste groep gevangenen in Buchenwald aan. Zij waren voor het grootste deel politieke gevangenen en gewone criminelen. Spoedig daarna arriveerden grote groepen gevangenen. Eind 1937 bevonden zich er 2.561 gevangenen, meest politieke. In het voorjaar van 1938 werden gevangenen die als asociaal werden beschouwd, naar het kamp gebracht. De eerste transporten van Duitse Joden arriveerden eveneens omtrent die tijd. In juli bevonden zich 7.723 gevangenen in Buchenwald. Op 23 september 1938 kwamen er 2.200 Joden uit Oostenrijk aan. Na de Kristallnacht (van 9-10 november) kwamen daar nog eens 10.000 Joden bij. De Joden werden bijzonder wreed behandeld: zij moesten 14-15 uur per dag werken en hun levensomstandigheden waren erg slecht. Destijds was het doel van de Duitsers de Joden ertoe te brengen Duitsland te verlaten. Eind 1938 lieten zij 9.370 Joden vrij uit Buchenwald, nadat hun families en joodse en internationale organisaties hadden geregeld dat zij het land konden verlaten. In de korte tijd dat deze gevangenen in Buchenwald verbleven, werden er 600 gedood, pleegden zelfmoord of stierven.

Na het uitbreken van de oorlog werden duizenden politieke vijanden gearresteerd en naar Buchenwald overgebracht. Het aantal Joodse gevangenen steeg weer toen Joden uit Duitsland en het protectoraat Bohemen en Moravië naar Buchenwald werden gedeporteerd; in 1939 waren er 2.700 Joden in Buchenwald. Vervolgens werden duizenden Polen naar binnen gebracht en vastgehouden in het tentenkamp.

Op 17 oktober 1942 gaven de nazi’s het bevel alle Joodse gevangenen in het Reich, met uitzondering van 204 arbeiders, over te brengen naar Auschwitz. Maar in 1944 werden Hongaarse Joden in omgekeerde richting vervoerd, van Auschwitz naar Buchenwald. Zij bleven korte tijd in het hoofdkamp en werden daarna verhuisd naar de satellietkampen. De Joden werden veel slechter behandeld dan de andere gevangenen en werden gebruikt voor medische experimenten.

In 1943 waren de Duitsers gereed met de bouw van wapenfabrieken, zodat die konden gaan produceren. Daardoor nam de bevolking aanzienlijk toe. Aan het eind van 1944 waren er 63.048 gevangenen en in februari 1945 waren dat er 86.232.
Met de Russen in aantocht begonnen de Duitsers op 18 januari 1945 met de evacuatie van Auschwitz en andere kampen in Oost-Europa. Hierdoor kwamen duizenden Joodse gevangenen in Buchenwald terecht, onder wie honderden kinderen. Voor hen werd een speciaal barakkenkamp ingericht, dat Kinderkamp Blok 66 werd genoemd en de meeste kinderen overleefden.

In 1943 werd een ondergrondse beweging gevormd waarin ook Joden waren opgenomen, die de naam Internationaal Ondergronds Comité kreeg. De beweging slaagde erin een deel van het werk in de wapenfabriek te saboteren en wapens en ammunitie in het kamp te smokkelen. 

Op 6 april 1945 begonnen de Duitsers met de evacuatie van Joodse gevangenen. De volgende dag werden duizenden andere gevangenen eveneens geëvacueerd. Zo’n 25.500 gevangenen stieven gedurende de evacuatie van het kamp. In de laatste dagen van Buchenwald slaagden ondergrondse werkers erin de evacuatie af te remmen. Op 11 april waren de meeste SS-ers gevlucht. De ondergrondse werkers namen de leiding van het kamp over en wisten de achtergebleven SS-ers gevangen te nemen. Op die dag werden 21.000 gevangenen in Buchenwald bevrijd, onder wie 4.000 Joden en 1.000 kinderen.

In 1947 werden 31 bestuurders van het kamp voor de rechter gebracht als onderdeel van de Neurenberger Processen. Twee van hen werden ter dood veroordeeld en vier kregen levenslang.

Kampen waarin de nazi’s hun tegenstanders zonder proces gevangen hielden. Ofschoon de uitdrukking concentratiekamp vaak wordt gebruikt voor alle soort kampen van de nazi’s, bestonden er in feite verschillende soorten kampen in het nazi-systeem, waarvan het concentratiekamp er slechts een was. Andere soorten kampen waren werkkampen, dwangarbeiderskampen, vernietigingskampen, doorgangskampen en krijgsgevangenkampen. In de loop van de tijd vervaagde het onderscheid tussen concentratiekampen en werkkampen, want ook in de concentratiekampen moest worden gewerkt. Het netwerk van concentratiekampen kreeg een belangrijke rol in het nazi-regime en ontwikkelde zich in de loop van de tijd.

Chronologisch kan het gebruik van de concentratiekampen in drie perioden worden verdeeld, van 1933 tot 1936; 1936 tot 1942; en 1942 tot 1944-1945. De eerste periode komt overeen met de opkomst en consolidatie van de nazi’s. In deze tijd werden de concentratiekampen opgericht om politieke tegenstanders van de NSDAP vast te houden. Spoedig nadat Hitler in januari 1933 aan de macht was gekomen, begonnen de nazis met het arresteren en opsluiten van politieke tegenstanders. Eind juli waren er ongeveer 27.000 mensen zoals de nazi’s het uitdrukten ‘voor hun eigen veiligheid’ in hechtenis genomen. Alleen al in Pruisen waren er twintig kampen voor deze gevangenen. Begin herfst 1933 begonnen de nazi’s met het arresteren van andere mensen, bijvoorbeeld mensen die de nazi’s beschouwden als asociale elementen, zoals bedelaars, zwervers en onverbeterlijke criminelen.

In juli 1934 benoemde het hoofd van de SS, Heinricht Himmler, Theodor Eicke (die toen commandant was in het concentratiekamp Dachau) tot Inspecteur van de Concentratiekampen en de SS Bewakingsdiensten. Deze bewakingsdiensten, die bekend raakten als doodshoofd-troepen, deden het nietsontziende bewakingswerk in de concentratiekampen. In zijn nieuwe functie had Eicke de leiding over de dagelijkse gang van zaken in de kampen en over de bestraffingen. In deze fase was het hoofddoel van het kampsysteem het verzet tegen het nazi-regime te breken.

In de tweede periode (1936-1942) werden bijna alle concentratiekampen die in de eerste periode waren opgezet, behalve Dachau, gesloten en werden nieuwe, grotere kampen gebouwd, waarin een toenemend aantal gevangenen kon worden ondergebracht. Dit waren onder andere Sachsenhausen, Buchenwald, Mauthausen, Flossenburg, Ravensbrück, Auschwitz, Majdanek, Natzweiler, Neuengamme en Stutthof. In deze periode waarin halverwege de Tweede Wereldoorlog uitbrak, vestigden de nazi’s ook werkkampen, dwangarbeiderskampen en heropvoedingskampen. Van 1937 lieten veel bedrijven Duitse Joden, daarna Oostenrijkse Joden en vervolgens Joden uit het hele door de nazi’s bezette gebied, voor zich werken en brachten hen onder in kampen of op kampen lijkende locaties. Vanaf 1938 werden Joden in de kampen gevangengezet alleen omdat ze Joden waren, vooral na de Kristallnacht, toen 36.000 mensen werden gearresteerd. In deze periode nam het aantal gevangenen dat in concentratiekampen werd vastgehouden gestadig toe. Aan het begin van de oorlog waren er zo’n 25.000 gevangenen in de kampen; eind 1941 waren dat er 60.000. Dat aantal nam nog toe na de inval van Duitsland in de Sovjet-Unie in juni 1941; tienduizenden sovjetgevangenen werden ingesloten in de kampen van de nazi’s. Velen werden spoedig na aankomst vermoord.

Eind 1941 en begin 1942, toen de nazi’s besloten hadden tot een vernietigingsbeleid betreffende de Europese Joden, zetten zij vernietigingskampen op in Chelmno, Treblinka, Sobibor en Belzec. Majdanek en Auschwitz, oorspronkelijk opgezet als concentratiekampen, werden uitgebreid en dienden ook als vernietigingskampen. Birkenau of Auschwitz II was het vernietigingscentrum en de rest van Auschwitz en de subkampen deden dienst als dwangarbeiderskampen. In Majdanek maakten de gevangenen die niet onmiddelijk werden vermoord, deel uit van de bevolking van het concentratiekamp.

In de derde periode, te beginnen in februari 1942, werden de gevangenen in de concentratiekampen officieel ingeschakeld voor dwangarbeid in de Duitse wapenindustrie, waar wapens werden gemaakt en andere noodzakelijke producten voor de Duitse oorlogseconomie. Daarvoor werd dwangarbeid vaak gebruikt als strafmaatregel. Op dit tijdstip vestigde de SS een speciaal Economisch- Administratief Hoofdbureau (Wirtschaftsverwaltungshauptamt, WVHA) om toezicht te houden op het gebruik van kampgevangenen als mankracht voor zowel ondernemingen van de regering als voor privé-bedrijven. De WVHA bouwde zelfs vele subkampen in de buurt van fabrieken om de gevangenen-arbeiders in onder te brengen.

De levensomstandigheden in de concentratiekampen van de nazi’s verschilden van periode tot periode en van kamp tot kamp. Van 1933 tot 1936 waren werk, voedsel en behuizing draaglijk en de meeste gevangenen werden niet langer dan ongeveer een jaar vastgehouden. In de tweede periode en het begin van de derde periode stierven vele gevangenen aan de gevolgen van mishandeling, slechte werkomstandigheden, ondervoeding, ondervoeding en overbevolking. In 1943 vebeterden de levensomstandigheden enigszins omdat de nazi’s de gevangenen op een productieve wijze wilden inschakelen voor het werk in de wapenindustrie.

De gevangenen hadden niets te vertellen; de SS vertelde hun precies wat ze gedurende de dag moesten doen. Als een gevangene geen gehoor gaf aan een bevel, werd hij hard gestraft, hij werd bijvoorbeeld geslagen met een zweep, kreeg eenzame opsluiting, kreeg geen eten, enzovoorts.

De gevangenen werden ingedeeld naar het land waar ze vandaan kwamen en naar de reden van hun opsluiting. Sommige gevangenen kregen toezichthoudend of administratief werk, als kamer -, blok- of kampoudsten, of als kapo’s (voormannen). In het algemeen kregen de Duitse gevangenen de beste baantjes en genoten dus de meeste priviléges. In het Auschwitz-kampcomplex hadden de Poolse gevangenen deze hogere status, Joden en Russen bevonden zich helemaal onder aan de ladder. De Joden werden veel slechter behandeld dan alle andere gevangenen en nadat de oorlog was uitgebroken hadden Joodse gevangenen weinig kans om te overleven. In oktober 1942 beval de WVHA de Joden uit alle concentratiekampen uit het Rijk ter verwijderen. Zij werden gedeporteerd naar Auschwitz of Majdanek in Polen, waar de meesten werden vermoord.

In de herfst van 1944 werd duidelijk dat de Duitsers de oorlog zouden verliezen. De geallieerden kwamen van alle kanten opzetten. De nazi’s sloten geleidelijk alle concentratiekampen buiten het Rijk en stuurden hun gevangenen op ondraaglijke dodenmarsen naar kampen die nog in gebruik waren in Duitsland en Oostenrijk.

Het eerste concentratiekamp van de nazi’s. Het kamp was gelegen in de kleine Duitse stad Dachau, ongeveer 16 kilometer ten noordwesten van München. Het werd opgezet in maart 1933 en in april 1945 bevrijd. In totaal gingen meer dan 200.000 gevangenen door de poorten van het kamp en 30.000 van hen kwamen daar officieel om het leven, hoewel het werkelijke aantal beslist veel groter is.

Het oorspronkelijke doel van het kamp was tegenstanders van de nazi’s het zwijgen op te leggen, de Duitsers zo bang te maken dat zij het nazi-regime zouden gehoorzamen en steunen. De commandant van Dachau, Theordor Eicke, leidde het kamp volgens een streng systeem van regels en verordeningen. Hij werd geassisteerd door een staf bestaande uit SS-doodshoofdtroepen, berucht om hun wreedheid. Toen hij later tot inspecteur-generaal voor alle concentratiekampen werd benoemd, paste Eicke dezelfde regels in de andere kampen toe. Daardoor was Dachau een doeltreffende training voor de wrede gedragslijn van de nazi’s.

Dachau werd in maart 1933 in gebruik genomen, spoedig nadat Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen. De eerste gevangenen die in het kamp werden opgesloten, waren bekende politieke vijanden van het nazi-regime, grotendeels communsiten en sociaal-democraten. Volgens de nazi’s waren zij gevangengenomen voor hun eigen veiligheid. Deze politieke gevangenen, die het eerst waren gekomen en het kamp het beste kenden, bezetten de belangrijkste posten in het doorde SS opgezette interne bestuur van de gevangenen. Vanaf 1935 werden mensen die door de rechter waren veroordeeld, rechtstreeks naar een concentratiekamp als Dachau gestuurd. De eerste Joden die in het kamp terechtkwamen, waren ook vijanden van het Rijk. Zij werden echter veel slechter behandeld dan de andere gevangenen.

Spoedig werden er andere groepen in het kamp opgesloten, zoals zigeuners, die net als de Joden als een minderwaardig ras werden beschouwd, homoseksuelen, Jehova’s getuigen, die weigerden in het leger te dienen, geestelijken die bezwaard hadden tegen de inmenging van de nazi’s in de kerken en vele anderen die kritiek op de nazi’s hadden.

Naarmate de vervolging van de Joden door de nazi’s werd opgevoerd, kwamen er steeds meer Joden in Dachau terecht. Na de Kritallnacht van 9 op 10 november 1938, werden meer dan 10.000 Duitse Joden gevangen genomen. In 1942, toen het ernst werd met de Endlösung, werden Joden vanuit Dachau en andere kampen in het Rijk naar vernietigingskampen in Polen gestuurd.

In de zomer van 1939 werden enige duizenden Oostenrijkers naar Dachau gebracht. Dit markeerde het begin van de transporten die de hele oorlog door plaatsvonden vanuit elk land dat door het Duitse leger werd bezet. Onder de Oostenrijkse gevangenen waren Joden, verzetsstrijders, geestelijken en anderen die niet wilden samenwerken met de nazi-bezetters. Dachau was omgeven door een onder stroom staande afrastering en een brede gracht.

Zodra de gevangenen in het kamp aankwamen, verloren ze alle rechten en werden hun alle bezittingen ontnomen. Vervolgens werden ze kaalgeschoren en kregen ze gestreepte gevangeniskleding. Elke gevangene kreeg een identificatienummer en een gekleurde driehoek, die aangaf tot welke categorie hij behoorde (Jood, zigeuner, homoseksueel, enzovoorts). Zij moesten erg hard werken, kregen zeer weinig te eten en leefden onder de dreiging van gruwelijke mishandelingen door de bewakers.

De nazi’s buitten de goedkope arbeidskracht van de gevangenen meedogenloos uit. De gevangenen moesten wegen aanleggen, in de steengroeven werken en moerassen droogleggen. Bij het voortschrijden van de oorlog werd de wapenproductie steeds belangrijker voor de nazi’s, dus werden duizenden Joodse gevangenen uit Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjet-Unie naar Dachau gebracht om in de wapenfabrieken te werken. De wapenproductie werd steeds belangrijker voor de nazi’s, dus werden duizenden Joodse gevangenen uit Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjet-Unie naar Dachau gebracht om in de wapenfabrieken te werken. Er werden 36 grote kampen bijgebouwd om 37.000 gevangenen die in de wapenfabrieken werkten, onder te brengen. Privé-firma’s konden ook arbeiders uit Dachau in dienst nemen; deze firma’s betaalden direct aan de SS en de arbeiders zagen nooit iets van hun loon. De gevangenen werkten net zo lang tot ze te ziek waren om door te gaan, waarna ze werden vervangen door gevangenen die een betere conditie hadden.

Net als in sommige andere kampen werden er medische experimenten uitgevoerd op de gevangenen in Dachau; zij werden gebruikt als menselijke proefkonijnen. Dr. Sigmund Rascher, een SS-medicus, voerde decompressie- en hogedrukexperimenten uit en professor Dr. Claus Schilling, een bekende onderzoeker op het gebied van tropische geneeskunde, leidde een proefstation voor malaria in het kamp. Hij infecteerde ongeveer 1.100 gevangenen met malaria, in de hoop een immunisatie tegen de ziekte te ontdekken. Verder werden er pseudo-medische experimenten uitgevoerd op gevangenen van Dachau: bij sommigen werden onstekingen en vergiftingsverschijnselen opgewekt om reacties te testen op verschillende medicijnen; anderen werden verwond om stollingsmedicijnen te testen. Er werden ook proeven genomen om te ontdekken of zeewater drinkbaar kon worden gemaakt en er werd geëxperimenteerd met tuberculose.

In de laatste maanden voor de bevrijding van Dachau waren de levensomstandigheden voor de gevangenen nog slechter dan voorheen. Er arriveerden duizenden gevangenen uit andere kampen, die waren geévacueerd omdat de geallieerden in aantocht waren. Barakken die bedoeld waren voor 200 gevangenen werden volgepropt met meer dan 1.600 gevangenen. Er bestond een tyfusepidemie in Dachau, waaraan 100-200 gevangenen per dag stierven. De gevangenen vormden een ondergronds comité om hun medegevangenen te helpen overlevenen en om zich te weer te stellen tegen de plannen van de SS het kamp te vernietigen. Op 26 april dwong de SS 7.000 gevangenen tot een mars naar het Zuiden. Degenen die achterbleven werden neergeschoten en velen stierven van de honger, door uitputting of door de koude. Zij die de mars overleefden, werden begin mei overgenomen door de Amerikaanse troepen, nadat de SS-bewakers verdwenen waren.

Dachau werd op 29 april 1945 door het Zevende Leger van het Amerikaanse leger bevrijd. Er bevonden zich toen meer dan 60.000 gevangenen in het kamp; Zij waren afkomstig uit meer dan 30 landen en er waren toen nog maar weinig Duitsers onder hen.

Het zuidelijkst gelegen land in Scandinavië. Net voor de Tweede Wereldoorlog woonden er ongeveer 7.800 Joden in Denemarken. Ongeveer 6.000 van hun waren autochtone Denen, de anderen waren vluchtelingen, velen van kinderen van de Jeugd Alija een zionistische jeugdbeeging. In de jaren voorafgaand aan de oorlog waren vele anderen naar Denemarken gevlucht. Maar tussen 1934 en 1938 waren de regels betreffende buitenlandse vluchtelingen verscherpt, zodat velen van de 4.500 Joden die hun toevlucht hadden gezocht in Denemarken het land verlieten. Op 9 april 1940 werd Denemarken bezet door het Duitse leger. De Denen werden door hun niet-agressieve houding tegenover de bezettende macht toegestaan een eigen regering te vormen en hun eigen leger te houden. In de overeenkomst was een clausule opgenomen betreffende de bescherming van Deense Joden, iets waar de Denen hardnekkig aan vasthielden. Dus de volgende paar jaar veranderde er niets aan de status van de Joden.

In het voorjaar van 1943 verslechterde de toestand evenwel. Aangemoedigd door de overwinningen van de geallieerde strijdkrachten op de Duitsers, verhoogden Deense verzetsgroepen hun activiteiten. Dat veroorzaakte spanningen tussen de Denen en de Duitsers, waarop de Duitsers terugkwamen op hun opvattingen betreffende de status van de Deense Joden. Toen zionistische jeugdbewegingen ontdekten wat er aan de hand was, probeerden velen het land te verlaten, maar pogingen om het zuiden van Europa te bereiken waren veelal vruchteloos vanwege de lange weg, die eerst door een groot deel van Duitsland liep. Anderen wisten per boot van het eiland Bornholm naar Zweden te ontkomen.

Nadat de regering had geweigerd in te gaan op de nieuwe Duitse eisen betreffende de Joden, nam zij eind augustus 1943 ontslag. Werner Best, de Duitse minister in de Deense hoofdstad Kopenhagen, besloot dat de tijd nu rijp was de nazi-leiders in Berlijn voor te stellen de Deense Joden te deporteren. Daarna kwam hij hierop terug omdat hij vreesde dat zijn eigen relatie met de Denen hierdoor stuk zou lopen. Desondanks begon de Duitse politie in de nacht van 1 op 2 oktober 1943 met het arresteren van de Joden. Maar diverse Duitse bronnen, met als belangrijkste bron de Duitse attaché voor scheepvaartzaken, Georg Ferdinand Duckwitz, hadden deze informatie doorgegeven aan Deense groepen, die de Joden onmiddelijk op de hoogte stelden. De Denen – die spontaan en menselijk reageerden – hielpen de Joden de kust te bereiken en Deense vissers brachten hen in hun boten naar Zweden. De Zweedse regering liet weten dat alle vluchtelingen uit Denemarken zouden worden toegelaten en de Deense verzetsbeweging organiseerde de ontsnapping van de rest van de Joden. De koning van Denemarken, Christian X, en de hoofden van de Deense kerken, protesteerden ook tegen de deportatie. Binnen drie weken waren 7.200 Joden en ongeveer 700 van hun niet-Joodse familieleden naar Zweden overgebracht.

Hoewel Rolf Günther, de assistent van Adolf Eichmann, over het geheel genomen faalde in zijn missie de Deense Joden te deporteren, werden er toch nog 500 Joden gearresteerd. Zij werden, onder wie zionistische jongeren en kinderen van Alija, naar Theresiënstadt gestuurd. De Deense regering protesteerde hevig tegen de deportaties en eiste dat een groep Deense vertegenwoordigers Theresienstadt zou kunnen bezoeken. In de zomer van 1944 bouwden de nazi’s een namaak model-getto voor de Deense bezoekers en een groep van het Internationale Rode Kruis. Hoe dan ook, er werden geen Deense Joden naar Auschwitz gedeporteerd. De meesten werden net voor het einde van de oorlog naar Zweden overgebracht.

De manier waarop de Denen voor hun Joden zorgden en hen redden wordt beschouwd als een heldhaftig en humaan aspect van de Tweede Wereldoorlog. Volgens de overlevering droeg koning Christian X zelf de Jodenster uit solidariteit met de Deense Joden. Dat klopt niet met de feiten, want de Deense Joden hebben nooit een Jodenster hoeven dragen, maar het geeft wel een overtuigend beeld van de Deense koning als voorbeeld van moed en als symbool van zijn betrokkenheid bij de Joden in zijn land.

In 1919 schreef Adolf Hitler over zijn wens alle Joden uit Duitsland te verwijderen en zijn geloof dat er een methodiek nodig was om dat doel te bereiken. Halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw zette de SS dat theoretische verlangen om in een belijd dat vroeg om een Duitsland dat fysiek ‘gezuiverd’ was (Judenrein) of ‘vrij (Judenfrei) van Joden’. Na de annexatie van Oostenrijk (Anschluss) in maart 1938 en in nog heviger mate na de Kristallnacht van november 1938, begonnen de nazi’s de Joden onder druk te zetten om te emigreren.

Spoedig na de Duitse invasie van Polen begin september 1939, werd begonnen met het eerste stadium van deportatie door de Joden uit hun huizen te halen en in getto’s op te bergen. Er werden ook pogingen gedaan de Joden naar Sovjetgebieden te verjagen. Daarna besloten de nazi’s alle Joden binnen het Rijk te deporteren naar een gebied in het Gouvernement-General in Polen, dat het Lublin Reservaat werd genoemd. Dit was een onderdeel van het grotere plan van de nazi’s om de volken van Europa te verplaatsen: behalve deze plannen voor de Joden wilden zij ook vele Polen uit hun gebied verjagen en het gebied bevolken met etnische Duitsers (Volksdeutsche), voornamelijk afkomstig uit de Sovjet-Unie. Adolf Eichmann werd belast met de deportaties van Joden en Polen als de SS-deskundige op het gebied van Joodse zaken en evacuaties. Maar dit zogenaamde Nisko en Lublin Plan verliep niet goed. De Duitse hervestigingsplannen kwamen midden 1941 compleet tot stilstand vanwege de voorbereiding voor de invasie van Sovjet-Unie. Hitlers doel alle Joden uit door Duitsland bezette gebieden te verwijderen was nog niet bereikt. Het volgende stadium van de deportatie was het gevolg van een verschuiving van het nazi-beleid betreffende de Joden van uitwijzing naar massavernietiging. Na de invasie van de Sovjet-Unie in juni 1941 begonnen de Duitsers daar met het massaal neerschieten van de Joden. Deze methode was echter ongeschikt voor de steden in Oost- en West-Europa. Daarom besloten de nazi’s de Joden te deporteren naar vernietgingscentra in het oosten. In december 1941 begonnen de deportaties van het getto van Lodz naar het eerste vernietigingskamp, Chelmno. De andere grote vernietigingskampen werden halverwege 1942 in werking gesteld.

De Joden werden per trein naar de kampen gebracht. Het Duitse ministerie van Verkeer en de Duitse Spoorwegen hielpen de nazi’s hun moordlustige doel te bereiken door speciale treinen ter beschikking te stellen. Meestal reisden de Joden in overvolle wagens voor vee; in Noord-Europa betaalden sommige Joden voor hun kaartje, soms zelfs eerste klas. Maar uiteindelijk ondergingen de gedeporteerde Joden, hoe zij ook reisden, hetzelfde lot. Het hele jaar 1942 door werden de Poolse Joden naar de vernietigingskampen getransporteerd. In maart 1942 werden bijna 60.000 Slowaakse Joden naar Polen gedeporteerd en kwamen daar om. In juli 1942 werden massale deportaties gelanceerd vanuit Frankrijk, België en Nederland – in het begin meestal van buitenlandse Joden. In augustus werden 5.000 Joden uit Kroatië gedeporteerd. Met ingang van eind oktober werden meer dan 700 Noorse Joden gearresteerd en naar de vernietgingskampen gebracht. De deportaties uit al deze landen gingen door tot in 1943, maar toen gingen de Duitsers zich in hoofdzaak concentreren op het deporteren van de Joden in de Balkanlanden. Roemenië voerde de deportatie van Joden uit de gebieden die het had afgepakt van de Sovjet-Unie, zoals Bessarabië en Boekovina naar Transnistrië uit. De Roemenen deden dat ook met hun eigen Joden, terwijl de Italiaanse regering de Joden binnen hun eigen jurisdictie, zoals in Zuid-Griekenland en Frankrijk en in delen van Joegoslavië juist beschermde. Maar de meeste Griekse Joden woonden in Noord-Griekenland, in Thessaloniki, dat bezet was door de Duitsers. Zo kwam het dat tussen maart en augustus 1943 eerst 44.000 Griekse Joden naar vernietigingskampen werden gedeporteerd en later de overgeblevenen.

In 1944 werden de meeste overgebleven Joden uit Slowakije en het laatste getto, Lodz, gedeporteerd. Maar in die tijd hielden de nazi’s zich vooral bezig met de vernietiging van de Hongaarse Joden. Nadat Duitsland in maart 1944 Hongarije had bezet, werden 437.000 Joden naar Auschwitz gebracht, waar zij de dood vonden.

De gedwongen marsen van gevangenen over lange afstanden onder ondraaglijke omstandigheden, tijdens welke de gevangenen door de bewakers werden mishandeld en in veel gevallen gedood. De nazi’s hielden veel dodenmarsen tijdens de holocaust, de meeste tegen het einde van de oorlog na de evacuatie van concentratiekampen. De uitdrukking dodenmars werd oorpronkelijk gebruikt door de gevangenen in concentratiekampen van de nazi’s en werd later overgenomen door holocaust historici.
De eerste dodenmars op grote schaal vond plaats in de zomer van 1941, na de Duitse invasie van de Sovjet-Unie. Honderdduizenden Sovjetkrijgsgevangenen werden gedwongen over de oneindige wegen van de Oekraïne en Wit-Rusland van kamp naar kamp te lopen. Onderweg en op tevoren gearrangeerde executieplaatsen werden duizenden gevangenen gedood. Ongeveer in diezelfde tijd lieten Roemenen (die toen nog bondgenoten van Duitsland waren) Joden van Bessarabië en Boekovina naar Transistrië marcheren. Duizenden werden onderweg door de Roemeense en Duitse bewakers neergeschoten.

De meeste dodenmarsen hadden plaats tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog. In de zomer van 1944 toen de geallieerden in het westen oprukten en de sovjettroepen in het oosten, begonnen de nazi’s ernst te maken met de ontruiming van de kampen. De eerste kampen die werden leeggehaald waren die in Oost- en Centraal- Polen en in de Baltische staten.

In de herfst van dat jaar besloten nazi-leiders de deportaties van de Joden van Boedapest naar vernietigingskampen op te voeren. Op 8 november 1944 begon een dodenmars vanaf Boedapest: 76.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen werden gedwongen, begeleid door Hongaarse bewakers, naar de Oostenrijkse grens te lopen. De mars duurde een maand, waarin duizenden stierven door ondervoeding, ziekte, uitputting en koude. Nog eens duizenden werden onderweg doodgeschoten. Enige honderden werden gered door neutrale diplomaten als Raoul Wallenberg uit Zweden, die Joden uit de voortmarcherende rijen trok en onder zijn hoede nam. Hij bracht hen terug naar Boedapest. De meesten waren echter niet zo gelukkig – de gevangenen die de Oostenrijkse grens bereikten werden overgedragen aan Duitse soldaten, die hen naar verschillende concentratiekampen brachten als Dachau en Mauthausen en hen dwongen versterkingen te bouwen.

In de winter van van 1944-1945 wisten de Duitsers dat zij de oorlog zo goed als verloren hadden. Dit gaf hun aanleiding de Poolse concentratiekampen te ontruimen en de gevangenen op dodenmarsen naar Duitsland te sturen. De Joden zelf leefden in de voortdurende angst in de laatste periode van de oorlog te worden vermoord, want zij waren niet meer nodig voor het werk.

De evacuatie van Auschwitz en de sattelietkampen begon op 18 januari 1945 toen ongeveer 60.000 meest Joodse gevangenen op een dodenmars naar Wodzislaw (Loslau in het Duits) werden gestuurd. Daar werden zij in goederenwagons gestouwd en naar andere concentratiekampen verder naar het westen gestuurd, naar kampen als Gross-Rosen, Buchenwald, Dachau en Mauthausen. Minstens 15.000 mensen stierven of werden gedood op die dodenmars. Drie dagen later, op 21 januari, werden 4.000 gevangenen, meest Joden, weggestuurd uit kamp Blechhammer. In de loop van die maand begonnen de Duitsers ook met het leegmaken van het Stutthof-kampencomplex waar in die tijd 47.000 gevangenen zaten, meer dan 35.000 van hen Joden, voor het merendeel vrouwen. Zo’n 7.000 Joden – 6.000 vrouwen en 1.000 mannen – werden op een dodenmars van 10 dagen gestuurd. Zevenhonderd van hen werden onderweg vermoord. Zij die de mars overleefden kwamen op 31 januari bij de Baltische Zee aan. Dezelfde dag duwden de nazi’s de overgebleven gevangenen de zee in en schoten hen neer – slechts dertien overleefden de slachting. De evacuatie van het hoofdkamp Gross-Rosen en de subkampen begon in februari 1945. In totaal werden 40.000 gevangenen afgemarcheerd en onderweg werden duizenden van hen vermoord. Eveneens in februari werden 20.000 Joodse gevangenen die in de dwangarbeiderskampen in het Eulengebirge werkten net voor de evacuatie vermoord of tijdens de dodenmars, weg van de kampen, om het leven gebracht. In de maanden maart en april, toen het eind van de oorlog in zicht was, evacueerden de nazi’s het ene kamp na het andere en stuurden minstens 250.000 van hun 700.000 gevangenen in de concentratiekampen op dodenmarsen.

Verzamel- en gevangenkamp voor Franse Joden, gelegen in een noordoostelijke wijk van Parijs. Vanaf Drancy werden Joden naar dwangarbeiders- en vernietigingskampen gestuurd. Het kamp werd opgezet in augustus 1941 en bevrijd in augustus 1944. er konden 4.500 gevangenen in worden ondergebracht; in totaal passeerden ongeveer 70.000 gevangenen de poorten.

Drancy werd bestuurd als een nazi-concentratiekamp, maar stond tot 1 juli 1943 onder Frans gezag (onder toezicht van de Duitse Veiligheidspolitie en Veiligheidsdienst). De voedselrantsoenen waren klein, maar de gevangenen werden geholpen door het Rode Kruis en Frans-Joodse organisaties. Op 2 juli nam Alois Brunner een SS-officier, de leiding van kamp over. Tijdens zijn bestuur ging de toestand van de gevangenen hard achteruit en namen de deportaties naar Auschwitz toe. Van juni 1942 tot juli 1944 vertrokken 64 transporten met 61.000 Franse, Poolse en Duitse Joden uit Drancy – 61 naar Auschwitz en drie naar Sobibor.

Ondanks de verschrikkelijke toestand in Drancy ging het culturele en godsdienstige leven door. De Joodse feestdagen werden gevierd in een synagoge die in 1941 was gebouwd en vele gevangenen woonden ondanks het verbod van de Duitsers regelmatig sabbatdiensten bij. Er werd een school ingericht, er werden boeken naar het kamp gebracht en er werden culturele avonden gehouden.
Op 17 augustus 1944, toen de geallieerden Parijs hadden bereikt, werd Drancy bevrijd.

Land in Centraal-Europa. In de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) vocht Duitsland samen met Oostenrijk-Hongarije en Italië tegen Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland. Nadat Duitsland door de geallieerden was verslagen en de oorlog was beëindigd, werd de democratische Weimarrepubliek gesticht (onder welke regering de Joden volledige gelijkheid genoten). Maar de Weimartijd werd geteisterd door werkeloosheid en een economische catastrofe. De geallieerden lieten Duitsland veel geld betalen om de materiële schade die in de oorlog was geleden, te vergoeden. In 1929 werd de situatie nog ernstiger toen de Grote Depressie toesloeg. De wanhopige economische toestand in Duitsland leidde tot grote onrust: extremistische politieke partijen werden machtiger, zoals de NSDAP aan de ene kant van het politieke centrum en de Communistische Partij aan de andere kant. Beide partijen trokken vele aanhangers aan het eind van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw en beide beloofden radicale oplossingen voor de economische en sociale problemen van het land.

In januari 1933 kwamen Adolf Hitler en zijn NSDAP in Duitsland aan de macht. Hitler ontpopte zich al snel als een dictator en hij stichtte het Derde Rijk – zijn naam voor het nieuwe Duitse Rijk. In de eerste jaren dat ze aan de macht waren probeerden de nazi’s Duitsland een ander gezicht te geven. Een van hun belangrijkste doelen was de grens tussen de regering en de instellingen van de van de partij uit te wissen. Na 1936 stond bijvoorbeeld dezelfde man aan het hoofd van de politie (een instelling van de regering) en de SS (een instelling van de partij) namelijk Heinrich Himmler. Bovendien kregen veel problemen een SS-rang. De nazi’s probeerden ook de Duitse kunst en cultuur in te perken en te controleren, getuige de openbare verbranding in 1933 van boeken die de NSDAP onwelvallig waren.

In de eerste vijf jaar van het nazi-regime werden allen die zich op de een of andere manier tegenstander van de nazi’s toonden opgesloten in pasgebouwde concentratiekampen en moesten daar blijven tot hun tegenstand gebroken was. Vele Duitsers aanvaardden het nazisme echter van ganser harte; anderen deden dat niet, maar lieten dat niet blijken om confrontaties te vermijden. Zeer weinig Duitsers kwamen actief in verzet tegen de nazi’s en Duitsland werd al gauw een dictatoriale nazi-maatschappij.

Hitlers buitenlandse politieke successen, al voor het begin van de Tweede Wereldoorlog vergaard, verschaften hem grote steun van het volk. Verschillende gebieden werden herenigd met Duitsland of geannexeerd zonder dat er oorlog aan te pas kwam, zoals het Saar-gebied in 1935, Oostenrijk en het Sudeten-gebied van Tsjecho-Slowakije in 1938 en Bohemen en Moravië in 1939. Toen vielen op 1 september 1939 Duitse troepen Polen binnen en brak de wereldoorlog uit. In het voorjaar van 1940 breidde het strijdtoneel zich uit naar West-Europa, in het voorjaar van 1941 naar de Balkan en naar de Sovjet-Unie in juni van dat jaar. De Duitsers behaalden de ene overwinning na de andere; de nazi’s vochten om hun dominerende positie in Europa te bestendigen en die uit te breiden tot de hele wereld, en om levensruimte, Lebensraum, te verkrijgen voor het Duitse volk. Zij wilden ook de wereld herscheppen naar hun eigen racistische beeld, wat het oplossen van de zogenaamde Joodse kwestie inhield. Maar nadat ze begin 1943 door de Sovjets bij Stalingrad waren verslagen, keerde hun geluk. De geallieerde invasies in Italië in 1943 en in Frankrijk in 1944 bezegelde het lot van nazi-Duitsland en de totale nederlaag volgde in mei 1945.

In 1933, toen Hitler aan de macht kwam, woonden er volgens de raciale definitie 566.000 Joden in Duitsland, minder dan één procent van de totale bevolking. Een derde van deze Joden woonde in de hoofdstad Berlijn, en een derde in de andere grote steden. Direct nadat ze de regering hadden overgenomen, begonnen de nazi’s met het uitsluiten van Joden van de Duitse samenleving en hen te ontdoen van hun wettelijke en burgelijke rechten. Joden werden ontslagen van hun werk, mochten niet studeren aan de universiteiten en werden uit het Duitse culturele leven geweerd. In september 1935 voerden de Duitsers de racistische Neurenberger Wetten in die leidden tot de definitie wie moest worden beschouwd als een Jood, en die de Joden nog meer buitensloten van de rest van de samenleving en hen beroofden van hun staatsburgerschap. Bovendien gingen de antisemitische maatregelen nog verder, met als dieptepunt de verwoestingen in de Kristallnacht in november 1938, toen honderden synagogen werden afgebrand, Joodse huizen en winkels werden aangevallen en geplunderd en duizenden Joden werden mishandeld en naar concentratiekampen gestuurd.

Als reactie op de voortdurend toenemende anti-Joodse maatregelen, zetten de Duitse Joden een uitgebreid netwerk van zelfhulpverenigingen op. Het belangrijkste doel hiervan was emigratie te vergemakkelijken, maar zij vestigden ook hulporganisaties binnen Duitsland. Hierbij waren centra voor volwasseneducatie, culturele verenigingen sociale-welzijnsinstellingen, en de overkoepelende organisatie, de Rijksvertegenwoordiging van Duitse Joden.

Tussen 1933 en 1941 vertrokken ongeveer 346.000 Joden uit Duitsland, de meesten voor het uitbreken van de oorlog. Tussen de Kristallnacht en het uitbreken van de oorlog was de gevoelde noodzaak om te vluchten het grootst. In september 1941 moesten alle Duitse Joden ouder dan zes jaar de Jodenster dragen. De deportatie van de Duitse Joden was al in 1940 begonnen toen Joden uit Stettin naar Polen werden gestuurd en Joden uit de Baden- en Saar-regio’s naar Frankrijk. De meesten werden later doorgestuurd naar de vernietigingskampen. Deportaties uit de rest van Duitsland begonnen in oktober 1941; eerst werden de Joden naar getto’s in Oost-Europa gestuurd, maar later gingen de transporten rechtstreeks naar Auschwitz en andere vernietigingskampen. In totaal stierven 200.000 Duitse Joden in de holocaust. Ongeveer 137.000 van hen werden uit Duitsland gedeporteerd, van wie 128.000 werden vermoord. De andere vermoorde Duitse Joden waren naar landen gevlucht die later onder de invloed van de nazi’s kwamen. In Duitsland zelf overleefden 20.000 Joden, onder wie 75 procent van hen Mischlinge.

SS-officier die een grote rol speelde bij de vernietiging van de Europese Joden.

Eichmann werd geboren in het Duitse Rijnland, maar groeide op in Oostenrijk. In 1932 sloot hij zich aan bij de Oostenrijkse NSDAP. Een jaar later kwam hij naar Duitsland en sloot zich aan bij de Oostenrijkse afdeling van de SS. In oktober 1934 werd Eichmann gepromoveerd naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD). In 1935 werd hij toegevoegd aan de nieuwe Joodse sectie van de SD en werd een van de belangrijkste ontwerpers en uitvoerders van het anti-Joodse beleid van de SS. 

In 1937 ging Eichmann naar Palestina en stelde vast dat de stichting van een Joodse staat niet in het belang van Duitsland zou zijn. Na de Anschluss – de annexatie door Duitsland van Oostenrijk in maart 1938 – werd Eichmann belast met de organisatie van de emigratie van de Oostenrijkse Joden. Hij bedacht een methode die de Joden zou dwingen te emigreren: hij nam al hun bezittingen af en vernietigde zo hun economische positie, zodat ze naar elders moesten vertrekken; hij dwong hen tot vertrek door hen te terroriseren en hij greep de macht over Joodse openbare instellingen en dwong hun leiders medewerking te verlenen aan de emigratieplannen. Ondanks zijn eerdere standpunt over de emigratie van de Joden naar Palestina, ging Eichmann nu samenwerken met de agentschappen van Alija Bet. Om het gedwongen emigratieproces efficiënter en stabieler te laten verlopen, zette Eichmann in augustus 1938 in Wenen het Centraal Bureau voor Joodse Emigratie (Zentralstelle für jüdische Auswanderung) op. Enige maanden later, na de Kristallnacht in november 1938, installeerde Hermann Göring een dergelijk bureau in Duitsland. Eichmann richtte ook in 1939 een Zentralstelle op in Praag.

Met de vestiging van het Reichssicherheits-hauptamt, RSHA (Rijks Veiligheids Hoofd Bureau) in september 1939 werd Eichmann hoofd van de Joodse afdeling van de Gestapo. In die functie had hij meer macht dan enig ander afdelingshoofd – hij werkte onder Reinhard Heydrich en werkte soms zelfs direct samen met Heinrich Himmler.

In 1939 en 1940 hield Eichmann het toezicht op de deportatie van Polen en Joden uit de gebieden van Polen die waren geannexeerd door het Rijk. Een van de ideeën waarmee hij voor de dag kwam was het Nisko en Lublin Plan, waarmee de SS de massadeportatie en hervestiging voorstelde van de Joden in het Gouvernement-General. Hoewel het plan al snel mislukte, werd het een prototype voor massadeportaties van Joden voor de rest van de oorlog. 

Aan het eind van 1940 controleerde het bureau van Eichmann alle Joden binnen het Rijk. Hij stuurde zijn vertegenwoordigers, zoals Alois Brunner, Theodor Dannecker, Dieter Wisliceny en zijn afgevaardigde Rolf Günther naar verschillende regeringen om op te treden als adviseurs voor Joodse zaken; hun taak was de bevordering van de uitvoering van een anti-Joods beleid. Zijn vertegenwoordigers waren actief in alle door de nazi’s gedomineerde landen, behalve in Scandinavië en de gebieden waar de Einsatzgruppen actief waren.

In oktober 1941 nam Eichmann deel aan de eerste besprekingen over de Endlösung. Op bevel van Heydrich organiseerde Eichmann in januari 1942 de Wannsee-conferentie om de moorden te coördineren; die conferentie had plaats nabij Berlijn. Toen de daar beraamde Endlösung eenmaal was gelanceerd, gaf het bureau van Eichmann de bevelen waar en wanneer de deportaties moeten gebeuren. Hij en zijn staf ontwierpen ook de procedure voor het aanhouden van de Joden en het afnemen van hun bezittingen. Eichmann zelf bracht meermalen een bezoek aan vernietigingskampen om toe te zien op hun efficiëntie een voortgang en was direct verantwoordelijk voor het getto van Theresiënstadt.

Eichmann leidde persoonlijk de deportaties in 1944 vanuit Hongarije, waar hij net als in andere landen werd geconfronteerd met vele ontsnappinspogingen. In sommige gevallen verijdelde hij reddingsplannen, zoals in Roemenië en Bulgarije; in Hongarije probeerde hij een overeenkomst te sluiten om Joden te ruilen tegen goederen of geld.

Na de oorlog ontsnapte Eichmann naar Argentinië. Hij leefde daar zonder ontdekt te worden tot mei 1960, toen de Israëlische geheime Dienst hem te pakken kreeg. Hij werd berecht tijdens een sensationeel proces in april 1961. Eichmann werd schuldig bevonden en ter dood veroordeeld; hij werd op 1 juni 1962 opgehangen.

Duitse term die actiegroepen betekent, wat oorspronkelijk betrekking had op de afdeling van de veiligheidspolitie van de nazi’s, die samenwerkte met het Duitse leger na de invasie van Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Polen. Later sloeg de term op de mobiele moordeskaders van de SS die met de Duitse troepen opmarcheerden die in 1941 de Sovjet-Unie binnenvielen.

Toen de Duitsers in maart 1938 Oostenrijk binnenvielen en in 1939 Tsjecho-Slowakije was het de taak van de Einsatzgruppen de oprukkende soldaten te volgen en te dienen als verplaatsbare bureaus van de veiligheidsdienst en de veiligheidspolitie van de nazi’s tot er permanente bureaus opgezet konden worden. De Einsatzgruppen waren belast met de veiligheid in deze gebieden, wat inhield het opsporen en gevangennemen van tegenstanders van de nazi’s. 

Ter voorbereiding van de invasie van de nazi’s van Polen in september 1939, moesten de Einsatzgruppenvechten tegen strijdgroepen die het Rijk vijandig gezind waren.

Dit bevel vatten zij op als een opdracht duizenden Joden en Polen uit de gegoede stand te vermoorden. Spoedig na de invasie kregen de Einsatzgruppen instructies met betrekking tot de behandeling van Joden in de pas veroverde gebieden: zij moesten de Joden arresteren en in getto’s onderbrengen in de buurt van spoorwegen, om het toekomstige transport van de bevolking te vergemakkelijken en Judenräte (Joodse Raden) op te zetten. Deze Einsatzgruppen werden in 1939 ontbonden; de mannen werden opgenomen in de permanente veiligheidsdiensten en bij de veiligheidspolitie in bezet Polen.

Toen Duitsland zich voorbereidde op de invasie van de Sovjet-Unie in juni 1941, maakte Hitler het leger duidelijk dat de aanstaande oorlog was gebaseerd op een fundamenteel conflict tussen twee totaal tegengestelde ideologieën. Het was noodzakelijk de elementen die deze tegenstrijdige ideologieen lieten voortbestaan te vernietigen. Dus werden er weer speciale eenheden – Einsatzgruppen – in het leven geroepen om het oprukkende leger te begeleiden. Hun taak was tegenstanders van het Rijk, zoals communisten en Joden, op te sporen en te doden.

Toen operatie Barbarossa begon, volgden de Einsatzgruppen het Duitse leger, de Wehrmacht, tot in de Sovjet-Unie. Er werden vier units gevormd, Einsatzgruppen A, B, C en D. Iedere unit kreeg de opdracht de Joden in het eigen gebied te vernietigen en elke unit was onderverdeeld in subunits, die Sonderkommando’s of Einsatzkommando’s werden genoemd. Einsatzgruppe A, de grootste groep met ongeveer 1.000 manschappen, werd toegevoegd aan Leger Groep Noord. Zij opereerde in de Baltische Staten (Litouwen, Letland en Estland) en het gebied tussen de oostgrens en Leningrad. Einsatzgruppe B, 655 mannen toegevoegd aan de Leger Groep Centrum, werkte in Wit-Rusland en het district Smolensk, ten oosten van Moskou. Einsatzgruppe C, een groep van 700 man toegevoegd aan de Leger Groep Zuid, beheerste het noorden en het centrum van de Oekraïne. Einsatzgruppe D, met 600 man toegevoegd aan het Elfde Leger, opereerde in het zuiden van de Oekraïne, de Krim en Ciskaukasië. Het waren niet alleen deze groepen die de vernietiging van de Sovjet Joden uitvoerden, waar ze ook gingen hielpen gewone Duitse soldaten, Duitse politie-eenheden en lokale collaborateurs bij de moordpartijen. Bij het aanbreken van het voorjaar van 1943 hadden de Einsatzgruppen 250.000 Joden en honderdduizenden Sovjetburgers, onder wie ook krijgsgevangenen, omgebracht.

De Einsatzgruppen vermoordden hun slachtoffers – mannen, vrouwen en kinderen – door ze in ravijnen, mijnen, steengroeven, greppels of speciaal voor het doel gegraven kuilen samen te brengen. Eerst dwongen ze de Joden al hun bezittingen af te geven en zich uit te kleden. Dan schoten ze hen dood en wierpen de lijken in de greppels. De commandanten gaven dagelijks rapporten door over hun moorddadige acties.

De voortdurende nauwe contacten met de moord had een bijzonder destructieve uitwerking op de mannen van de Einsatzgruppen, ondanks de grote hoeveelheden alcohol waarmee ze werden volgegoten. Dit gaf de nazi’s aanleiding alternatieven te zoeken voor het moordproces. Spoedig kregen de Einsatzgruppen gaswagens voor de moord op de overgebleven Joden.

Na de oorlog werden de leiders van de Einsatzgruppen in Neurenberg en bij andere processen voor de rechter gebracht. Van de 24 aangeklaagden werden er 14 tot de doodstraf veroordeeld. Slechts vier van hen werden werkelijk geëxecuteerd; de anderen kregen vermindering van straf.

Codenaam voor het plan van de nazi’s de Joodse kwestie op te lossen door alle Joden in Europa te vermoorden. De Endlösung was het eindpunt van de ontwikkeling van het nazi-beleid van vele jaren: vanaf Hitler’s eerste geschriften over de behoefte aan een oplossing van de Joodse kwestie in Europa. Dat behelsde pogingen van de nazi’s in de jaren dertig van de vorige eeuw een massa-emigratie op gang te brengen, tot het plan voor een collectieve verbanning naar een bepaald gebied in Afrika en in 1941 de massavernietiging van de Joden.

In september 1919 schreef Hitler zijn eerste politieke document. Daarin schrijft hij dat de Joodse kwestie uiteindelijk opgelost zou worden door het geheel te verwijderen van de Joden uit Europa. Volgens hem zou deze verwijdering niet met veel opwinding en progroms en dergelijke gepaard gaan, maar met typisch Duitse grondigheid en goede planning worden uitgevoerd.

Voor Hitler was de Joodse kwestie essentieel voor alle nazi’s. Hitler werd werkelijk geobsedeerd door Joden en was vastbesloten een Endlösung te vinden om van hun af te komen. Zijn vroegere geschriften en verklaringen kunnen evenwel niet worden gezien als een blauwdruk voor de moorden die zoveel jaar later werden begaan.

Door de jaren dertig van de vorige eeuw heen geloofde Hitler dat massale emigratie het antwoord was op de Joodse kwestie. De anti-joodse wetgeving die in Duitsland van kracht werd vanaf de tijd dat Hitler in januari 1933 aan de macht kwam tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939, was bedoeld om de Joden ervan te overtuigen en later te dwingen om het land te verlaten. In januari 1939 sprak Hitler het Duitse parlement toe. Hij leverde kritiek op de Vrije Wereld omdat men geen Joodse immigranten wilden opnemen en waarschuwde dat de gevolgen van oorlog ook de vernietiging van de Europese Joden zouden inhouden. Kenners zijn het er niet over eens of deze verklaring moet worden uitgelegd als een directe aanwijzing voor Hitlers intentie de Joden te vermoorden, of dat het slechts de manipulerende manier van Hitler was om de Vrije Wereld ertoe te bewegen Joodse immigranten toe te laten.

Toen Duitsland Polen binnenviel en de Tweede Wereldoorlog uitbrak, kwamen er nog eens 1,8 miljoen Joden onder Duits bestuur. Hitler gelastte hun vernietiging niet direct. In plaats daarvan werd er een plan ontworpen, waarbij alle Joden die binnen het Rijk woonden verbannen werden naar een reservaat in het district Lublin van het General–Gouvernement. De nazi’s probeerden dit Nisko en Lublin Plan uit te voeren, maar het werd niet verwezenlijkt. In het voorjaar van 1940 werd het duidelijk dat het Lublin-programma niet langer het antwoord was op de Joodse kwestie, omdat Polen niet genoeg land overhad voor de Joden.

De volgende fase in het anti-joodse beleid, dat in mei 1940 werd geïntroduceerd, was het Madagascar-Plan- een plan om alle Europese Joden naar het eiland Madagascar, een Franse kolonie in Afrika, te deporteren. Maar slechts enkele maanden later werden de Duitsers verslagen in de Slag om Engeland, waardoor het Madagascar-idee onhaalbaar werd.

In juni 1941 vielen de Duitsers hun voormalige bondgenoot de Sovjet-Unie aan. Mobiele moordeskaders, Einsatzgruppen genaamd, begonnen samen met het gewone leger, politie-eenheden en lokale collaborateurs, onmiddelijk met het systematisch uitmoorden van de Joden in de Sovjet-Unie. Dit was de eerste keer dat massale systematische vernietiging werd gebruikt als methode voor het oplossen van de Joodse kwestie.

In juli gaf Hermann Göring officieel zijn toestemming voor de voorbereiding van de Endlösung. Eind 1941 en begin 1942 installeerden de nazi’s vernietigingskampen en begonnen met de dportaties naar die kampen en zij perfectioneerden de moordmethoden. De eerste proef met vergassing werd in september 1941 in Auschwitz genomen en aan het eind van de herfst werden vernietigingskampen opgezet in Belzec en Chelmno. Sobibor, Treblinka, Majdanek en Auschwitz werden in het voorjaar van 1942 vernietigingscentra. Inmiddels vertelde Hitler zijn intimi op 12 december 1941 dat de moorden uitgebreid moesten worden en dat ook de Duitse Joden moesten sterven, waardoor nu alle Europese Joden in de plannen voor de Endlösungwaren gekomen.

Op de Wannsee Conferentie in januari 1942 kwamen de Duitse regering en de SS-leiders bijeen om de vernietiging van Joden in Europa te coordineren. Van die tijd af tot het eind van de oorlog in 1945 was de Endlösung officieel nazi-beleid en betekende maar één ding – dood aan de Joden.

Jeugdig slachtoffer van de holocaust en schrijfster van het beroemde Dagboek van Anne Frank.

In 1933 kwamen de nazi’s in Duitsland aan de macht. Spoedig daarna verhuisden Anne Frank en haar familie van Duitsland naar Amsterdam in Nederland. Nadat de Duitsers in 1940 Nederland hadden bezet, begon Annes vader Otto voorbereidingen te treffen voor het geval ze zouden moeten onderduiken. Op 5 juli 1942 kreeg de oudere zuster van Anne, Margot, een oproep van het Centraal Bureau voor Joodse Emigratie (Zentralstelle für jüdische Auswanderung), om zich te melden voor verplichte tewerkstelling. De volgende dag trok de familie Frank in de lege achterkamer van Otto’s kantoor aan de Prinsengracht 263 in Amsterdam. Vier personeelsleden van Otto waren op de hoogte en hielpen de familie met onderduiken: Victor Kugler, Johannes Kleiman, Elli Voskuijl en Miep Gies. Een week later kreeg de familie Frank gezelschap van het gezin van Otto’s partner, Herman van Pels. Op 16 november kwam er nog een achtste persoon bij, Fritz Pfeffer.

Anne was een maand voordat de familie onderdook dertien jaar geworden en had voor haar verjaardag een dagboek gekregen. Ze begon er direct in te schrijven en richtte zich tot een denkbeeldige vriendin die ze Kitty noemde. Op het onderduikadres ging ze door met schrijven. Ze schreef over het gezin, over haar ontwikkeling, zowel fysiek als gevoelsmatig en over hoe het was om ondergedoken te zijn. Ze beschreef de gebeurtenissen die plaatsvonden in de achterkamer en haar reacties erop. Ze schreef ook verhaaltjes en een Boek met Mooie Zinnen, dat volstond met citaten die zij leuk vond.

Op 4 augustus 1944, meer dan twee jaar nadat de familie was ondergedoken, ontdekte de Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam dat er Joden waren op het adres Prinsengracht 263. De SD rukte uit en arresteerde de families Frank en Van Pels en Fritz Pfeffer. Ook Kleiman en Kugler werden gearresteerd en gevangengenomen. De acht Joden werden naar het doorgangskamp Westerbork gestuurd en vandaar werd de familie Frank met het laatste transport uit het kamp naar Auschwitz gedeporteerd. De moeder van Anne, Edith, stierf in Auschwitz. Anne en Margot werden eind oktober 1944 overgebracht naar Bergen-Belsen. Beiden stierven daar in maart 1945 aan tyfus. Hun vader Otto overleefde Auschwitz en werd op 27 januari 1945 door het Sovjetleger bevrijd.

Toen Otto terug was uit Auschwitz, gaf Miep Gies hem de papieren die zij had gered uit de achterkamer, waaronder het dagboek van Anne. Otto liet het dagboek in 1947 publiceren onder de titel Het Achterhuis. Sindsdien zijn er 20 miljoen boeken verschenen in meer dan 50 edities en in vele talen. Een toneelversie van het dagboek ging op 5 oktober 1955 op Broadway in première; deze kreeg de Pulitzer prijs voor Beste Toneelstuk van het Jaar. De filmversie kwam in 1959 uit.
Het dagboek, nu bekend als het Dagboek van Anne Frank maakte grote indruk op mensen over de hele wereld. Voor sommigen is het hun eerste kennismaking met de holocaust. Velen zien Anne als een symbool van de miljoenen slachtoffers van de holocaust.

Eleanor Roosevelt noemde het dagboek ‘een opmerkelijk boek. Geschreven door een jong meisje – en de jeugd is niet bang de waarheid te spreken- is het een van de wijste en ontroerendste ontboezemingen over de oorlog en de inwerking ervan op de mens, die ik ooit heb gelezen.’

In 1960 werd van de achterkamer waar Anne zich in de oorlog verscholen hield, een museum gemaakt over de strijd tegen het racisme en het antisemitisme. De Anne Frank Stichting heeft een documentatiecentrum, maakt lesmateriaal en organiseert reizende tentoonstellingen over deze onderwerpen. Het oorspronkelijke dagboek wordt daar tentoongesteld.

Land in West-Europa. Frankrijk verklaarde samen met Groot-Britannië in september 1939, nadat Duitsland Polen was binnengevallen, het nazi-regime de oorlog en daarmee was de Tweede Wereldoorlog een feit. In mei 1940 viel het Duitse leger Frankrijk zelf binnen; in juni gaven de Fransen zich over en tekenden een bestand met de nazi’s. Vervolgens werd Frankrijk in tweeën gedeeld: Noord-Frankrijk (de bezette zone) kwam onder direct Duits bestuur en Zuid-Frankrijk (de niet bezette zone) kwam onder de controle van een nieuwe Franse regering, die zetelde in het kuuroord Vichy. Aan het hoofd van de Vichy-regering stond maarschalk Philippe Pétain, een held uit de Eerste Wereldoorlog, die veel aanzien genoot bij de Fransen. In dezelfde tijd vluchtte de Franse generaal Charles de Gaulle, een verwoed tegenstander van Pétains overgave aan de Duitsers, naar Groot-Brittanië, waar hij een Franse regering in ballingschap vormde en andere Fransen om zich heen verzamelde, die Frankrijk wilde bevrijden van de Duitse tirannie en de collaborerende Vichy-regering.

In de zomer van 1940, na de verovering van Frankrijk door Duitsland, woonden er 350.000 Joden in Frankrijk; meer dan de helft daarvan waren geen Franse staatsburgers, maar Joden die de de Eerste Wereldoorlog naar Frankrijk waren verhuisd, en Joodse vluchtelingen uit Duitsland en andere gebieden die door de nazi’s waren bezet. Bijna direct na de bezetting werden de Joden die in de niet bezette zone verbleven, onderworpen aan de eerste golf anti-Joodse maatregelen. In het door de Duitsers gecontroleerde gebied raakten de Joden hun baan kwijt, werd hun bewegingsvrijheid beperkt en werden velen gearresteerd. In dezelfde tijd ging de Vichy-regering ook actief de Joden vervolgen. In oktober 1940 werd een aantal anti-Joodse wetten aangenomen, het Statut des Juifs genaamd. Deze wetten definieerden duidelijk wie beschouwd moest worden als een Jood en veroorzaakten een drastische teruggang in de Joodse betrokkenheid bij de Franse samenleving. In maart 1941 zetten de Vichy-autoriteiten onder druk van de Duitsers een Bureau voor Joodse Zaken (Commisariat Génèral aux Questions Juives) onder leiding van Xavier Vallat. Het bureau was verantwoordelijk voor het invoeren en uitvoeren van de Franse anti-Joodse wetgeving, alsmede de confiscatie van Joodse bezittingen en zaken. In november 1941 installeerde Vallat op aandrang van de vertegenwoordiger van Adolf Eichmann in Frankrijk, Theodor Dannecker, de Unie van Franse Joden.

In het begin waren de anti-Joodse maatregelen die door de Vichy regering werden genomen, hoofdzakelijk gericht tegen de Joden die geen Frans staatsburger waren. Duizenden werden naar dwangarbeiderskampen gestuurd of gevangengenomen.
Eind april 1942 werd Pierre Laval minister-president van de Vichy-regering, die ten volle bereid was met de nazi’s samen te werken. In mei werd Vallat van het Bureau voor Joodse zaken vervangen door een fanatieke antisemiet, Louis Darquier de Pellepoix, die bereidwillig alle Franse Joden vervolgde of ze nu staatsburger waren of niet. Toen, na de Joden twee jaar te hebben laten lijden, begonnen de Duitsers en de Vichy-autoriteiten met de deportaties.

De Franse politie ging in ruil voor een grote mate van onafhankelijkheid ermee akkoord de Joden op te pakken en te deporteren. In juni 1942 werden zij gedwongen de Jodenster te dragen om identificatie te vergemakkelijken; er werden grote groepen gearresteerd en de bewegingsvrijheid van de rest werd beperkt. De aanhoudingen die meest door de Franse politie werden verricht, gingen de hele zomer door. Tijdens een vreselijke Aktion (razzia) die van 16-17 juli plaatsvond, werden 12.000 Joden in Parijs samengedreven. Zo’n 7.000 van hen werden dagenlang zonder eten, water of toiletten vastgehouden in het Vélodrome d’Hiver, een overdekt sportstadion. Vele duizenden Joden werden in veewagens naar een doorgangskamp in de Parijse wijk Drancy gestuurd, vanwaar zij naar het oosten werden gedeporteerd. De Vichy-autoriteiten deden in hun zone hetzelfde. In 1942 werden in totaal 42.500 Joden naar het oosten gestuurd.

In november 1942 namen de Duitse en Italiaanse legers het Vichy-gebied onder hun beheer. Italië legde beslag op een klein deel van Zuidoost-Frankrijk en namen de Joden die daarheen waren gevlucht tegen de Duitsers en het Vichy-bewind in bescherming. De Italianen weigerden zelfs de anti-Joodse wetten in hun zone uit te voeren. In september 1943, toen Italië probeerde zich over te geven aan de geallieerden, namen de Duitsers echter het Italiaanse deel van Frankrijk over en arresteerden de Joden die daar een veilige toevlucht hadden gevonden. Sommige probeerden naar het zuiden, naar Spanje, te ontsnappen of naar het oosten, naar Zwitserland, maar de reis naar die landen was bijzonder gevaarlijk en slechts weinig Joden brachten het er goed vanaf.

Sommige Joden werden geholpen door Franse niet-Joden, die hen verborgen met groot gevaar voor zichzelf en hun familie.

Laval had wel toegezegd met de nazi’s te zullen collaboreren, maar hij kreeg te maken met protesten van de Fransen toen de deportaties van Joden ook voor Franse burgers gold en niet alleen voor Joodse vluchtelingen uit andere landen. In augustus 1943 weigerde hij de Franse Joden hun staatsburgerschap af te nemen om hun deportatie te kunnen bespoedigen. Maar ondanks dat en andere onbetekende protesten gingen de deportaties in 1943 en 1944 door. In totaal werden in de oorlog zo’n 80.000 Joden gedeporteerd en op 2.000 na vonden allen de dood. Ongeveer 70.000 Joden werden naar Auschwitz gestuurd en de overigen werden gedeporteerd naar Majdanek, Sobibor en een klein aantal naar Buchenwald.

De hele oorlog was de Franse verzetsbeweging (de Maquis) onder leiding van Jean Moulin actief tegen de nazi’s en de Vichy-regering; Moulin was de vertegenwoordiger van generaal Charles de Gaulle. De Franse Joden namen ook deel aan de ondergrondse activiteiten, zowel in het algemene Franse Verzet als in Joodse verzetsorganisaties als de Armée Juive, het joods burgerleger. De Joodse ondergrondse was zeer actief met het verbergen van mede-Joden, in het bijzonder Joodse kinderen.
Op 6 juni 1944 landden de geallieerden in Normandië. Twee maanden later was Frankrijk bevrijd en marcheerde de Gaulle zegevierend Parijs binnen; de leiders van de niet meer bestaande Vichy-regering vluchtten naar Duitsland.

Methode van massamoord die door de nazi’s werd toegepast.

De nazi’s begonnen in december 1939 met het gebruik van gas voor de massamoorden, toen een SS-Sonderkommando-team koolmonoxide gebruikte om Poolse geestelijke gestoorde patiënten om te brengen. Een maand later besloot het hoofd van het euthanasie-programma dit koolmonoxide te gebruiken voor het doden van gehandicapten, chronisch zieken, oude mensen en anderen voor wie hij verantwoordelijk was. In augustus 1941 waren er al zo’n 70.000 Duitsers uit vijf euthanasiecentra, die waren uitgerust in vaste gaskamers of mobiele gasvrachtwagens, gedood.

In de zomer van 1941 begonnen de Duitsers met het vermoorden van Joden op een systematische en massale wijze. Na enige maanden zagen zij in dat ‘gewoon’ doodschieten niet snel en niet efficiënt genoeg was om van de miljoenen Joden die zij wilden vermoorden, af te komen. Daarom werd op basis van de ervaring, opgedaan met het euthanasieprogramma, voor het vernietigen van de Europese Joden overgegaan op het gebruik van gas.

In december 1941 introduceerde de SS in het vernietigingskamp Chelmno ook het gebruik op grote schaal van gasvrachtwagens. Deze werkten door uitlaatgassen via een speciale buis in de vrachtruimte van de wagen te blazen. Per keer werden veertig tot vijftig slachtoffers in de wagen geduwd en na enige minuten waren ze gestikt. Maar met de miljoenen Joden die op het programma stonden vermoord te worden, bleek deze aanpak onvoldoende. Dus toen zij in 1942 drie vernietigingskampen bouwden als onderdeel van de Aktion Reinhard - het plan om alle Joden in het Gouvernement-General te doden – installeerden ze grote vaste gaskamers.

Belzec, dat in maart in gebruik werd genomen, had drie gaskamers, ondergebracht in een houten barak. Sobibor, waar de gasmoorden in april 1942 begonnen, had een stenen gebouw waarin zich de gaskamers bevonden. Treblinka, dat in juli werd gevestigd, had drie gaskamers, die hermetisch konden worden afgesloten. In alle drie de kampen werden honderdduizenden Joden vermoord met uitlaatgassen van dieselmotoren. In de zomer en de herfst van 1942 maakten de nazi’s de bestaande gaskamers groter en plaatsten er nieuwe bij. Als de transporten aankwamen werd een aantal slachtoffers uitgekozen die aan de Sonderkommando’s werden toegevoegd en vaklieden werden uitgekozen om in de reparatiewerkplaatsen, die dienstdeden voor de staf van het kamp, te werken. De andere slachtoffers moesten in een rij gaan staan, waar zij hun bezittingen moesten afstaan, zich uit moesten kleden en waar hun haar werd afgeschoren. Vervolgens werden zij, met de armen omhoog om zo veel mogelijk mensen binnen te krijgen, in de gaskamers geduwd. Baby’s en kleine kinderen werden bovenop de compacte massa mensen gegooid. Als de slachtoffers dood waren moesten de mannen van het Sonderkommando de lijken uit de gaskamers halen en ze begraven. 

De nazi’s bleven zoeken naar een nog eficiëntere methode voor de massamoord. Na enige experimenten die op Sovjetkrijgsgevangenen werden uitgevoerd, ontdekten de nazi’s het commerciële verdelgingsmiddel zyklon B, dat geschikt was voor hun doel. Zyklon B, een soort waterstofcyanide, werd voor het eerst gebruikt in het vernietigingscentrum Auschwitz. In vier jaar werden daar meer dan een miljoen mensen vergast. De nazi’s waren evenwel nooit tevreden over de snelheid van de vernietiging. In de zomer van 1942 werden plannen gemaakt om nieuwere, efficiëntere gaskamers te bouwen alsmede crematoria, waarin de lijken verbrand konden worden. Dit project werd in het voorjaar van 1943 onder de leiding van JA Topf und Söhne gecompleteerd en maakte Auschwitz tot het grootste vernietigingscentrum van de nazi’s.

Andere kampen van de nazi’s hadden ook gaskamers, maar deze werden niet altijd voor massavernietiging gebruikt. Er waren gaskamers in Mauthausen, Neuengamme, Sachsenhausen, Stutthoff en Ravensbrück. En in alle werd gebruik gemaakt van zyklon B.

De geheime politieke politiemacht van het Derde Rijk, die diende als het belangrijkste instrument van Hitler voor martelingen en terreur.

De Gestapo werd al voordat de nazi’s aan de macht kwamen opgezet als geheime inlichtingendienst in het politiedepartement van Pruisen, waaronder ook de Gestapo viel. Een maand later kreeg de Gestapo de macht wie dan ook ‘voor zijn eigen veiligheid’ in hechtenis te nemen. Uiteindelijk betekende dit dat iemand die door de Gestapo werd gearresteerd, al zijn burgerrechten verloor en niet langer door de wet werd beschermd. Volgens de wet was de Gestapo geheel vrij te doen wat men wilde met de slachtoffers.
In april 1933 werd de Gestapo afgescheiden van de rest van de politie van Pruisen en in 1934 werd een Joodse Afdeling ingesteld. In april van dat jaar plaatste het hoofd van de SS, Heinrich Himmler, de Gestapoen alle concentratiekampen in Duitsland onder de controle van de SS. De Gestapo had nu de macht om de slachtoffers naar concentratiekampen te sturen en daar over hun lot te beslissen – leven of sterven en hoe. Het Duitse strafrecht verbood nog steeds moord en marteling, dus de Gestapo – die zich regelmatig schuldig maakte aan moord en marteling – begon met methoden die in Dachau waren ontwikkeld, de doodsoorzaak van de slachtoffers te vervalsen.

In juni 1936 reorganiseerde Himmler het hele politiesysteem van Duitsland teneinde dit te verlossen van de bureaucratische regeringsbeperkingen, Hij verdeelde de politie in twee hoofdafdelingen, de Orde Politie (Ordnungspolizei, ORPO) en de Geheime Politie (Sicherheitspolizei, SIPO). Onder Himmler groeide de Gestapo buitensporig en nam al gauw de controle over alle Duitse politieke politiafdelingen over.

Tot september 1939 zag de structuur van de Gestapo er als volgt uit:

Divisie I, onder leiding van Werner Best, was belast met de organisatiezaken en financiële zaken, inclusief wettelijke aangelegenheden.

Divisie II, de belangrijkste afdeling van de Gestapo, stond onder de directe controle van Reinhard Heydrich. Hij en zijn plaatsvervanger Heinrich Müller waren verantwoordelijk voor het uitschakelen van de tegenstanders van het nazi-regime;
Divisie III, met aan het hoofd Günther Palten, was belast met de contraspionage. Van november 1937 tot oktober 1938 trainde de Gestapo speciale units voor het terroriseren en nazificeren van landen buiten Duitsland.

Eind 1938 voerde Adolf Eichmann de campagne aan die ten doel had de Joden uit het pas geannexeerde Oostenrijk te verwijderen. Müller en Eichmann namen de verantwoordelijkheid op zich de Joden uit alle door de nazi’s bezette landen te laten emigreren of te deporteren. Na de Kristallnacht in november 1938 werd de Gestapo de belangrijkste uitvoerder van het Duits anti-Joodse beleid.

Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd de Sicherheitspolizei (SIPO) samengevoegd met de Sicherheitsdienst (SD). Daardoor ontstond het Reichsicherheitshauptamt (Rijks Veiligheids Hoofdbureau, RSHA). In de RSHA werd Müller het officiële hoofd van de Gestapo en bestuurde Eichmann de Joodse afdeling van het bureau. Onder hun leding nam de Gestapo deel aan de arrestatie van Joden, Zigeuners en mensen van een inferieur ras, onderdrukte de door Duitsland bezette gebieden met een nietsonziende terreuracties en speelde een hoofdrol bij de Endlösung.

De Gestapo gebruikte de ‘gevangenneming voor de eigen veiligheid’-methode bij de aanpak van de Europese Joden. Zij bedroog leden van de Judenräte van de getto’s en gijzelde hen; creëerde een taalregeling (Spracheregelung), een eufemistisch jargon dat gebruikt werd om de werkelijke aard van hun handelingen te verbloemen. De Geheime Staatspolizei zag ook toe op de liquidatie van de getto’s. Eichmanns afdeling van de Gestapo organiseerde de deportatie van Joden naar concentratie- en vernietigingskampen en had de directe controle over het concentratiekamp Theresienstadt in Tsjecho-Slowakije. Gestapo-officieren voerden ook de Einsatzgruppen aan die de massamoord uitvoerden op de Joden in de Sovjet-Unie.

Na de oorlog wisten de belangrijkste medwerkers van de Gestapo te ontsnappen en te ontkomen aan gerechtelijke vervolging.

Een straat of stadswijk waar alleen Joden woonden. Het woord getto werd voor het eerst in 1516 in Venetië gebruikt, als deel van de zinsnede Geto Nuovo wat nieuwe Gieterij betekent . Dit sloeg op het afgesloten deel van de stad dat oorspronkelijk een gieterij had geherbergd. In de Tweede Wereldoorlog werden de Joden van Oost-Europa gedwongen in getto’s te wonen, waar zij in feite gevangen werden gehouden.

Vele Joden stierven in de getto’s, maar er zijn geen bewijzen dat de getto’s oorspronkelijk werden opgezet met als doel Joden te vermoorden, of dat de nazi’s in de loop van de oorlog getto’s wilden gebruiken als plaatsen waar zij hun plannen de Europese Joden te decimeren, konden uitvoeren.

Niettemin bleven de Duitsers volkomen overschillig onder het hoge sterftecijfer van de Joden in de getto’s dat veroorzaakt werd door honger en gebrek aan andere noodzakelijke bestaansvoorwaarden.

Er is geen bewijs dat de nazi-leiders zelf de oprichting van de getto’s hebben gelast in de vorm die deze uiteindelijk kregen. Zelfs op 21 september 1939 toen Reinhard Heydrich opdracht gaf voor het centraliseren van de Poolse Joden in aparte gedeelten van steden en het woord getto gebruikte, bedoelde hij dit niet op de manier waarop de getto’s uiteindelijk werden opgezet. Dus was elk getto uniek in hoe en wanneer het werd opgezet, hoe het was afgesloten van de rest van de stad en hoe het werd bestuurd.

Het eerste getto in Polen werd in oktober 1939, een maand na het uitbreken van de oorlog, in de stad Piotrkow Trybunalski gebouwd. Vervolgens werd er op 30 april 1940 een getto afgesloten in de stad Lodz. Het grootste getto in Europa was dat van Warschau, dat werd opgezet in november 1940. Slechts vier maanden later, in maart 1941, was de bevolking toegenomen tot 445.000. In andere gebieden werden pas later getto’s ingericht. De getto’s in Silezië (in wat nu Zuidwest-Polen is) werden gebouwd aan het eind van 1942 en het begin van 1943. In de delen van de Sovjet-Unie die door de Duitsers waren bezet, werden meestal getto’s opgezet nadat een aantal plaatselijke Joden waren vermoord.

Er werden ook getto’s ingericht in Hongarije, Amsterdam en Therezienstadt.

Elk getto was afgesloten en werd op de plaatselijke noodzakelijke manier bewaakt. Het getto van Lodz was van de rest van de stad afgesloten met een houten schutting en prikkeldraad. Hier en daar stond ook een stenen muur. Er stonden bewakers binnen en buiten de scheidslijn. Het getto van Warschau was door een 18 kilometer lange muur omgeven. Bewakers patrouilleerden langs de muren en bij de poorten. Maar het was mogelijk voedsel en andere artikelen het getto binnen te smokkelen. Het getto van Piotrkow Trybunalski had geen afscheiding en geen bewakers. Polen konden ongestoord het getto in en uit gaan en de Joden mochten buiten het getto komen. Pas aan het eind van 1941 werd het afgesloten. In oktober van dat jaar beval Hans Frank, hoofd van het Gouvernement-General, iedere Jood die zonder toestemming buiten het getto werd aangetroffen neer te schieten. Bovendien werden de meeste getto’s tijdens de deportaties afgesloten.

Elk getto werd op zijn eigen manier bestuurd. Omdat het getto in wezen een stad in een stad was, waren de Joden gedwongen hun eigen diensten en instellingen te organiseren, iets waar ze geen ervaring mee hadden. Behalve het leiden van de Judenräte, die waren ingesteld voordat de getto’s er waren en een aparte eenheid vormden, bestuurden de Joden in de getto’s ook de postdienst, de politie en verschillende andere diensten, die normaal door de stad werden verzorgd. Ze moesten ook voedselrantsoenen uitdelen en zorgen voor huisvestiging, gezondheidszorg en werk. Soms bestond een getto uit twee delen: een voor de werkenden en een voor de rest van de bevolking. In sommige getto’s verbleven ook andere categorieën vluchtelingen dan Joden. In het getto van Lodz woonden bijvoorbeeld enige tijd Zigeuners. Joden die in de getto’s in het oosten woonden verkregen hun voedsel op twee verschillende manieren: van de officiële Duitse leveranciers en van de onofficiële zwarte markt. Officieel kregen de Joden bonkaarten waarop zij veel minder konden kopen dan wat de rest van de bevolking ervoor kon krijgen. Halverwege 1941 gaven de Duitsers in Polen bonkaarten uit die voorzagen in slechts 184 calorieën per dag – 7,5 procent van het dagelijks minimum. De Duitsers kregen zelf het volledige rantsoen en de Polen ontvingen 26 procent van de dagelijkse behoeften. Om deze armzalige rantsoenen aan te vullen moesten de Joden buitensporig hoge prijzen betalen voor voedsel dat op de zwarte markt werd verkocht.

Omdat de meeste Joden heel weinig geld hadden, stierven velen de hongersnood. Alleen rijke Joden konden het zich veroorloven op de zwarte markt te kopen. Sommige Joden die in Duitse fabrieken werkten, kregen eten op hun werk.

In sommige gevallen gebruikten de Duitsers verschillende namen voor de gebieden waarin zij Joden dwongen te wonen. Meestal gebruikten ze de gebruikelijke benaming: getto. Maar soms noemden zij deze gebieden Jüdischer Wohnbezirk, Joodse wijk.

Spoedig na het begin van de Endlösung der Judenfrage begonnen de Duitsers met het opheffen van de getto’s. De eerste getto’s werden in het voorjaar van 1942 ontruimd. Het laatste Poolse getto, Lodz, werd in de zomer van 1944 opgeheven. De meeste Joden uit de getto’s werden gedeporteerd naar vernietigingskampen, waar zij werden vermoord. Slechts een klein aantal werd tegen het einde van de oorlog naar concentratie- en dwangarbeiderskampen overgebracht. Bijna alle Joden van Oost-Europa waren gedwongen hun huis te verlaten en in de getto’s van hun woonplaats te gaan wonen. Aan het eind van de oorlog was er geen enkel getto in Oost-Europa meer over. In Hongarije, waar de laatste getto’s in 1944 werden opgezet, bestonden deze slechts enige weken in afwachting van de deportatie van de Joden naar Auschwitz. In januari 1945, toen Pest door het Sovjetleger werd veroverd, hoefde alleen het getto van Boedapest nog maar te worden bevrijd.

Nazi-minister van Propaganda.

Goebbels werd geboren in Reydt in Duitsland, in een arm godsdienstig katholiek gezin. Omdat hij een klompvoet had, kon hij in de Eerste Wereldoorlog niet in dienst. In plaats daarvan haalde hij een doctorstitel in literatuur en filosofie. Hij wilde schrijver worden. Hij was voor een deel in staat die ambitie te vervullen door zich in 1924 bij de nazi’s aan te sluiten en de redactie te voeren van het partij orgaan.

Goebbels kreeg al gauw de reputatie een dynamisch spreker en propagandist te zijn. In 1926 werd hij benoemd tot partijleider van Berlijn; zijn opdracht was de hoofdstad te winnen voor de partij. In 1928 werd Goebbels hoofd Propaganda van de partij en hij was degene die de verkiezingscampagne van de nazi’s coördineerde die Hitler in januari 1933 aan de macht bracht. In maart 1933 werd Goebbels minister van Propaganda en Voorlichting. Zijn doel was de kunst en cultuur van Duitsland te nazificeren. Hij gaf daarom op 10 mei 1933 opdracht alle niet-Germaanse boeken te verbranden. Goebbels gebruikte de radio en propagandafilms om aanhangers te winnen. Hij was ook verantwoordelijk voor het creëren van een cultus rond de persoon van Adolf Hitler. In november 1938 was het Goebbels’ idee de moord op een Duitse diplomaat in Frankrijk door een Joodse jongeman Herschel Grynszpan, uit te buiten om een hevige pogrom te ontketenen tegen de Joden in Duitsland. Hij gaf deze gewelddadige gebeurtenis de ironische naam Kristallnacht.

In de oorlog had Goebbels de leiding over de psychologische oorlogspropaganda van de nazi’s. Hij stookte de Duitsers tegen hun ‘vijanden’ op door leugens en haat te verspreiden. Hij schilderde de Joden af als Untermenschen en als de ergste vijanden van Duitsland. Goebbels dacht dat de mensen genoeg leugens zouden geloven als ze maar vaak genoeg werden herhaald en dat hoe groter de leugen was, hoe meer mensen deze zouden geloven.

Hoewel Goebbels een bewonderend aanhanger van Hitler was, beantwoordde Hitler die bewondering niet altijd. Hun relatie werd echter gestabiliseerd toen Goebbels in juli 1944 na de mislukte aanslag op diens leven zijn steun aan Hitler betuigde. Toen de oorlog naar zijn eind liep, benoemde Hitler Goebbels als zijn opvolger, maar Goebbels weigerde. De dag nadat Hitler in zijn bunker zelfmoord had gepleegd, volgden Goebbels en zijn vrouw hem, nadat ze eerst hun zes kinderen door vergiftiging hadden omgebracht. Enige uren later identificeerden Russische troepen het lijk van Goebbels.

Dictator (Führer) van het Derde Duitse Rijk. Hitler werd geboren in Braunau, Oostenrijk, in een gezin van kleine landeigenaren. Zijn vader was douaneambtenaar. Hitler ging van 1900-1905 naar de middelbare school in de Oostenrijkse stad Linz; hiermee werd zijn formele opleiding afgesloten. Zijn vader stierf in 1903. In 1907 probeerde Hitler toe te treden tot de Weense Academie voor de Schilderkunst, maar hij slaagde niet voor het toelatingsexamen. In hetzelfde jaar stierf zijn moeder aan borstkanker; haar arts was een Jood. In 1908 verhuisde Hitler naar Wenen. Hij kon zich redden met de wezenuitkering die hij van de regering kreeg en door de verkoop van ansichtkaarten die hij schilderde. In die tijd was het antisemitisme een algemene heersende beweging in Wenen. De burgemeester van de stad, Lüger, was een fanatieke antisemiet en Hitler stond achter diens ideologie. Later verklaarde Hitler dat de periode die hij in Wenen had doorgebracht bijzonder invloedrijk was geweest voor het vormen van zijn inzichten en ideeën.

In 1913 verhuisde Hitler naar München. Toen in het volgende jaar de Eerste Wereldoorlog uitbrak, nam hij dienst in het Beierse leger. Hij trad op als koerier in België en Frankrijk en was een goede soldaat. Hij werd gepromoveerd tot korporaal en onderscheiden voor zijn moed.

Na de oorlog keerde Hitler zeer verbitterd over de nederlaag van Duitsland terug naar München. Hij dacht dat de Joden verantwoordelijk waren voor de nederlaag. Daarop schreef hij zijn eerste politieke geschrift, waarin hij beweerde dat het einddoel van het antisemitisme de totale uitbanning van de Joden moest zijn. Hij sloot zich al spoedig aan bij de kleine antisemitische Duitse Arbeiderspartij, die in 1920 zijn naam veranderde in Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij, NSDAP. Het partijprogramma eiste dat alle Duitse Joden de burgerrechten werden ontnomen en velen van hen het land werden uitgezet. De mensen gingen Hitler beschouwen als een buitengewone en charismatische redenaar. In 1921 werd hij de machtige voorzitter van zijn partij en er ontstond een persoonlijkheidscultus die hem beschreef als de grootste van alle Duitsers met een onfeilbaar beoordelingsvermogen. In 1923 had de NSDAP 56.000 leden en een privé-leger van 15.000 Storm Troepers (de Sturmabteilung, SA)

In november 1923 deed Hitler een poging de Beierse regering in München omver te werpen door een gewapende opstand, die bekend kwam te staan als de Bierhalle Putsch. De poging mislukte en Hitler werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Hij werd echter na negen maanden weer vrijgelaten. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis had hij het eerste deel van zijn beruchte boek, Mein Kampf, geschreven. In 1925 herinstalleerde Hitler de NSDAP. Het ledental bleef groeien, vooral in de eerste jaren toen de Duitsers zwaar getroffen werden door de Grote Depressie en ze een zondebok nodig hadden om de schuld te geven van hun moeilijkheden. Hitler en zijn partij werden beschouwd als dynamisch en vitaal. Bij de landelijke verkiezingen van 1932 behaalde de NSDAP 230 zetels van de in totaal 599, wat neer kwam op 37,3 procent van het aantal stemmen – hetgeen de partij tot de grootste van het Duitse parlement maakte. Op 30 januari 1933 werd Hitler ten gevolge van achterkamertjespolitiek, tot kanselier van Duitsland benoemd. Ondanks het feit dat zijn partij niet de absolute meerderheid in de regering had, slaagde Hitler erin steeds meer macht naar zich toe trekken. Op 27 februari was Hitler – met Göring - het grote brein achter de brand in de Rijksdag – en gebruikte die als excuus om zijn politieke tegenstanders in de regering te elimineren. Binnen een week bekrachtigde Hitler een wet die de Duitse democratie ophief en hem uiteindelijk de absolute macht gaf. Toen de Duitse president Paul vond Hindenburg op 2 augustus 1934 overleed, nam Hitler ook die positie over.

Hitler streefde ernaar vanuit zijn racistische visie op de wereld Duitsland nieuw leven in te blazen. Daartoe waren zijn belangrijkste doelen het leger op te bouwen en anti-Joodse maatregelen tot wet te verheffen. Op 1 april 1933 werd een anti-Joodse boycot uitgevaardigd in heel Duitsland en op 7 april werd een wet aangenomen die het wettig maakte Joden uit hun ambtelijke banen te ontslaan. In september 1935 werden de racistische Neurenberger Wetten aangenomen en vanaf die tijd voerden de nazi’s een serie anti-Joodse maatregelen in die de Joden uitsloten van alle facetten van het Duitse leven. Inmiddels waren de nazi’s ook begonnen met het oprichten van concentratiekampen, waarin hun politieke en ideologische tegenstanders gevangen werden gezet.

In maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk. Hierdoor kwamen er nog eens 200.000 Joden binnen Hitler’s grondgebied. Later in dat jaar kreeg hij het Sudentenlandgebied van Tsjecho-Slowakije als gevolg van de conferentie van München en in maart 1939 nam hij de rest van de Tsjechische gebieden in en installeerde een marionettenregime in Slowakije. Op 1 september van hetzelfde jaar viel het leger van Hitler Polen binnen, wat het begin betekende van de Tweede Wereldoorlog en de start van een verbazingwekkende serie militaire overwinningen, die Hitler’s uitstraling aanzienlijk versterkten. De Duitsers begonnen direct met de verolging van de Poolse Joden. In het voorjaar van 1940 veroverden de legers van Hitler het grootste deel van West-Europa tijdens een bliksemcampagne, het volgende voorjaar gevolgd door de verovering van de Balkanlanden. De systematische massavernietiging van de Joden, eufemistisch ook bekend als de Endlösung, begon in juni 1941 nadat Duitsland zijn vroegere bondgenoot, de Sovjet-Unie, was aangevallen en grote delen van het gebied begon te veroveren.

Hitler beschouwde de Joden als zijn ideologische vijanden en een gevaar voor het arische ras, Duitsland en de wereld als geheel. Hij zag hen ook als de belangrijkste aanhangers van democratie, liberalisme en socialisme – ideologische opvattingen die in directe tegenstelling stonden tot zijn ideeën. Dus concentreerde Hitler zich als Führer (leider) van Duitsland op de vernietiging van de Joden en het vestigen van de Duitse overheersing in Europa, en later van de hele wereld, gebaseerd op de racistische principes van de nazi’s.

De eerste massamoorden op Joden in de Sovjet-Unie werden begaan door Einsatzgruppen, gewonen legeronderdelen, verschillende politieonderdelen en plaatselijke collaborateurs. Al spoedig besloot Hitler de massamoord op Joden uit te breiden over heel Europa.

Onder zijn regime werden vernietigingskampen geïnstalleerd, waar miljoenen Joden de dood vonden. Tegen het einde van 1942 begon Hitler’s geluk te keren. Het Sovjetleger won veldslagen tegen de Duitsers aan het oostfront (Stalingrad) en in 1943 en 1944 brachten de westerse geallieerden, versterkt door de Verenigde Staten die vanaf december 1941 ook deelnamen aan de oorlog , de Duitsers zware slagen toe aan het zuidelijk en westelijk front. Hij gaf anderen de schuld van zijn falen en op 20 juli 1944 deden enigen van zijn generaals een poging hem te vermoorden, maar zonder succes. Terwijl Duitsland steeds meer slagen verloor en de militaire nederlaag onafwendbaar leek, ging Hitler door met de Endlösung. Op 2 april 1945 kon Hitler zich erop beroemen het Europese Jodendom te hebben uitgeroeid. Maar nog geen maand later, op 30 april 1945, pleegde hij zelfmoord in zijn Berlijnse bunker, samen met zijn maîtresse Eva Braun, met wie hij een paar dagen eerder was gehuwd. In de geschiedenis zal hij echter voortleven als de man die de vreselijkste misdaden in het verleden op zijn geweten heeft.

Land in Midden-Europa. Nadat Adolf Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, raakte de Hongaarse regering geïnteresseerd in het sluiten van een verdrag met nazi-Duitsland. De Hongaren dachten dat zo’n alliantie goed voor hen zou zijn, aangezien de twee regeringen overeenkomende autoritaire ideologieën koesterden en omdat de Duitsers hen zouden kunnen helpen het land terug te krijgen dat zijn in de Eerste Wereldoorlog waren kwijtgeraakt. De vijf jaar daarop sloot Hongarije zich steeds meer bij Duitsland aan. De conferentie van München van september 1938 gaf Duitsland toestemming het Sudetengebied dat aan Tsjecho-Slowakije behoorde te annexeren. In november hakte Duitsland een gedeelte van Tsjecho-Slowakije af – een deel dat vroeger aan Hongarije had behoord – en gaf dit terug aan Hongarije om de betrekkingen tussen de twee landen te verstevigen. In augustus 1940 gaf Duitsland ook Noord-Transylvanië aan Hongarije. In oktober 1940 sloot Hongarije zich aan bij Duitsland, Italië en Japan, de zogenaamde As-mogendheden. In maart 1941 kreeg Hongarije nog meer land toegewezen, toen het zich ondanks de alliantie met de Joegoslavische regering aansloot bij zijn nieuwe bondgenoot, Duitsland, voor de inval in en verdeling van Joegoslavië. Inmiddels was het door al die nieuwe gebieden de Joodse bevolking in Groot Hongarije gegroeid tot 725.007, exclusief ongeveer 100.000 Joden die zich hadden bekeerd tot het Christendom, maar naar ras werden beschouwd als Joden.

Hongarije begon spoedig na de Anschluss, de annexatie van Oostenrijk door Duitsland in maart 1938, met het uitvaardigen van een anti-Joodse wetgeving. Er werd een wet aangenomen die de Joodse deelname aan de economie en de beroepsuitoefening met 80 procent verminderde. In mei 1939 werden er nog meer beperkingen voor Joden op economische gebied opgelegd en werden de Joden onderscheiden als een ras in plaats van een religieuze groepering. In 1939 ontwierp Hongarije een nieuw soort arbeidsdienstplicht, die Joodse mannen in dienstplichtige leeftijd dwong toe te treden. Later zouden vele Joodse mannen in dit kader omkomen. In 1941 nam de Hongaarse regering een rassenwet aan die overeenkwam met de Neurenberger Wetten. Die officieel vaststelde wie wel of niet als Jood moest worden beschouwd.

Ondanks de moeilijkheden veroorzaakt door deze anti-Joodse wetten, leefden de meeste Hongaarse Joden het grootste deel van de oorlog in betrekkelijke veiligheid. Maar er was een groep Hongaarse Joden die in de zomer van 1941 slachtoffer werd van een tragedie; zo’n 18.000 Joden werden in het wilde weg door de Hongaarse autoriteiten als Joodse buitenlanders bestempeld, hun huizen uitgezet en gedeporteerd naar Kamenets-Podolski in de Oekraïne, waar de meesten in koele bloede werden vermoord. Nog eens 1.000 Joden uit een pas door Hongarije verworven gedeelte van Joegoslavië werden begin 1942 door Hongaarse soldaten en politie vermoord als gevolg van hun ‘vervolging van Partizanen’.

Gelijktijdig met de aanname van de anti-Joodse wetten raakten de Hongaarse autoriteiten steeds meer verwikkeld in hun alliantie met Duitsland. In juni 1941 besloot Hongarije zich bij Duitsland aan te sluiten in hun oorlog tegen de Sovjet-Unie. In december 1941 sloot Hongarije zich ten slotte aan bij de As-mogendheden en verklaarde de Verenigde Staten de oorlog, waarmee het land alle banden met het westen verbrak. Maar na de nederlaag van Duitsland in Stalingrad en andere veldslagen, waarin Hongarije tienduizenden soldaten verloor, probeerde de regent van Hongarije, Miklos Horthy zich van de alliantie met Duitsland los te maken.

Deze manoeuvre was onaanvaardbaar voor Hitler en in maart 1944 vielen Duitse troepen Hongarije binnen teneinde de trouw van het land met geweld te verzekeren. Hitler vormde meteen een nieuwe regering die hij dacht te kunnen vertrouwen, met Dome Sztojay, de vroegere Hongaarse ambassadeur van Duitsland, als minister-president. Het bezettingsleger werd vergezeld van een Sonderkommando, aangevoerd door Adolf Eichmann, die de taak had binnen Hongarije de Endlösung ten uitvoer te brengen.

Er werden met de grootste spoed anti-Joodse decreten uitgevaardigd. In heel Hongarije werden Judenräteopricht met een centrale Judenrat, de Zsido Tanacs, in Boedapest onder leiding van Samu Stern.

De Duitsers isoleerden de Joden van de rest van de wereld door hen in hun bewegingsvrijheid te beperken en hun telefoons en radio’s te confisqueren. De Joden moesten de Jodenster dragen om hen beter herkenbaar te maken, Joodse eigendommen en zaken werden in beslag genomen en van midden tot eind april werden de Hongaarse Joden gedwongen naar getto’s te verhuizen. Hun verblijf in de getto’s duurde maar kort. Na twee tot zes weken werden de Joden uit elk getto op de trein gezet en gedeporteerd. Tussen 15 mei en 9 juli werden ongeveer 430.000 Hongaarse Joden gedeporteerd, voor het grootste deel naar Auschwitz, waar de helft van hen direct na aankomst werd vergast. Begin juli maakte Horthy, die nog steeds van plan was de banden van Hongarije met Duitsland te verbreken, een eind aan de deportaties. Inmiddels was heel Hongarije Judenfrei, behalve de hoofdstad Boedapest. In het voorjaar van 1944 begonnen Israël Kasztner, Joel Brand en andere leden van het Hulp-en reddingscomité van Boedapest onderhandelingen met de SS om levens te sparen. Veel Joden (mogelijk zo’n 8.000) ontvluchtten Hongarije, de meesten naar Roemenië, velen met hulp van leden van de zionistische jeugdbeweging.

Van juli tot oktober leefden de Joden van Boedapest in betrekkelijke veiligheid. Op 15 oktober kondigde Horthy echter in het openbaar aan dat hij de alliantie van Hongarije met Duitsland verbrak en hij vrede zou gaan sluiten met de geallieerden. De Duitsers staken daar een stokje voor en brachten eenvoudigweg Horthy’s regering ten val, waarna de macht overging op Frenc Szalasi en zijn fascisten, de gewelddadige antisemitische Pijlenkruizers. De Pijlenkruizers vestigden direct een terreur in Boedapest. Bijna 80.000 Joden werden gedood in Boedapest zelf, neergeschoten op de oever van de Donau en daarna in de rivier geworpen. Duizenden anderen werden gedwongen dodenmarsen te maken naar de Oostenrijkse grens. In december, tijdens de belegering door de Sovjets van de stad, werden 70.000 Joden naar een getto gedreven en stierven duizenden van de kou, aan ziekten en van de honger.

Tienduizenden Joden in Boedapest werden gered tijdens het regime van de Pijlenkruizers door leden van het Hulp- en Reddingscomité en andere Joodse activisten, in het bijzonder leden van de zionistische jeugdbeweging, die identiteitspapieren vervalsten en hun voedsel gaven. Deze Joden werkten samen met buitenlandse diplomaten, zoals de Zweed Raoul Wallenberg, de Zwitser Carl Lutz en anderen, die vele Joden internationale bescherming gaven.

In april 1945 werd Honagrije door het Sovjetleger bevrijd. Zo’n 568.000 Hongaarse Joden zijn tijdens de Holocaust omgekomen.

Land in Zuid-Europa. In het begin van de twintigste eeuw waren de Joden geheel geïntegreerd in het Italiaanse leven en bestond er bijna geen Antisemitisme in het land. Benito Mussolini, de leider van de Italiaanse fascistische beweging, nam in oktober 1922 de macht over van de Italiaanse regering. Antisemitisme maakte geen deel uit van het politieke platform van Mussolini; desondanks maakte de Joodse gemeenschap zich zorgen over het nieuwe regime. Mussolini kwam spoedig met de verzekering dat de fascisten niet antisemitisch waren en niet de bedoeling hadden de Joden in het land kwaad te doen. De tien volgende jaren onderhielden Mussolini en de Joden redelijke betrekkingen. In feite sloten vele Joden zich zelfs aan bij de Fascistische Partij door het nationale programma van Mussolini te steunen. Toen in 1933 in Duitsland de nazi’s aan de macht kwamen, poogde Mussolini verschillende jaren zijn betrekkingen met het westen in balans te brengen met zijn steun voor Adolf Hitler. Maar in 1936 nam Italië afstand van de westelijke mogendheden en bewoog zich meer in de richting van Duitsland: dat jaar sloot Italië zich tijdens de Spaanse Burgeroorlog bij Duitsland aan en spoedig daarna gebruikte Mussolini voor het eerst de term ‘Rome-Berlijn As’ om de alliantie tussen de beide landen aan te duiden. Die herfst bracht Mussolini een antisemitische perscampagne op gang om Hitler tevreden te stellen. In september 1938 sloot de Italiaanse regering zich bij de As aan door een racistische anti-joodse wetgeving uit te vaardigen, gelijk aan de Neurenberger Wetten van Duitsland. Buitenlandse Joden die in Italië woonden moesten het land verlaten. In Juni 1940 nam Italië officieel deel aan de oorlog . Mussolini voelde zich toen verplicht de anti-Joodse maatregelen in zijn land uit te breiden. Vele buitenlandse Joden die het land in 1938 niet hadden verlaten, werden in de gevangenis geworpen. Begin september had het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken de oprichting bevolen van 43 kampen waar vijandige vreemdelingen (onder wie buitenlandse Joden) en Italiaanse tegenstanders van de fascistische regering moesten worden vastgehouden. Deze kampen, die zeker niet gerieflijk waren, stonden in geen verhouding tot de concentratiekampen van de nazi’s. In Italië mochten gezinnen bij elkaar blijven, er werden scholen gesticht voor de kinderen en er waren sociale en culturele activiteiten voor allen. Mussolini was geheel afhankelijk van Hitler, zowel economisch als militair, dus hij kon het zich niet veroorloven zijn programma van anti-Joodse vervolgingen binnen Italië zelf stil te zetten (hoewel Mussolini nooit akkoord is gegaan met het deporteren van de Joden uit zijn land naar vernietigingskampen). De Italianen gaven echter blijk van hun onafhankelijkheid door Joden die buiten Italië verbleven in door Italië bezette gebieden, zoals Frankrijk, Joegoslavië en Griekenland te helpen. In 1942, toen Duitsland ernst begon te maken met het deporteren van Joden naar het oosten, begon de Italiaanse militaire macht een serieuze reddingsoperatie in alle gebieden onder Italiaans beheer. De Italiaanse autoriteiten wisten ongeveer 40.000 niet-Italiaanse Joden te redden. Begin september besloten de Italianen zich terug te trekken uit de oorlog en vrede te sluiten met de geallieerden. Mussolini werd afgezet en de geallieerden zetten de bevrijding van Italië in, te beginnen in het zuiden van het land. Toen kwam Duitsland tussenbeide en bezette alle delen van Italië die nog niet door de geallieerden waren veroverd, opnieuw. Er werd een regering geïnstalleerd met Mussolini als marionettenleider, terwijl de echte macht in Duitse handen was.

Dat was het begin van de holocaust voor de Italiaanse Joden. Van half september 1943 tot het eind van de oorlog in april 1945 werden de Italiaanse Joden door de Duitsers opgejaagd; meer dan 20 procent van de Joodse bevolking van het land werd gevangengezet in gevangenissen en concentratiekampen. Van september 1943 tot 1944 werden 3.110 Joden gedeporteerd naar Auschwitz. Gedurende de rest van 1944 werden nog eens 4.056 Joden gedeporteerd naar het oosten. Nog 4.500 Italiaanse Joden die in gebieden woonden die vroeger onder Italiaans beheer stonden, werden eveneens gedeporteerd. In Italië zelf werden bovendien 173 Joden vermoord. In totaal kwam zo’n 15 procent van de Joden van Italië om in de holocaust. Het grootste deel van de Joodse bevolking van het land overleefde, geholpen door zowel de Italiaanse burgers als het Italiaanse leger.

Grootste concentratie- en vernietigingkamp in Kroatië, 99 kilometer ten zuiden van Zagreb. Jasenovac dat in feite een netwerk van verschillende subkampen was, werd opgericht in augustus 1941 en opgeheven in april 1945. De nazi’s gaven de marionettenregering van Kroatië de controle over Jasenovac, dat werd geleid door de fascistische Ustasa-beweging. Een groot aantal leden van Ustasa, van wie de bekendste Miroslav Filipovic-Majstorovic was, berucht omdat hij gevangenen met zijn blote handen vermoordde, dienden in het kamp. In totaal werden ongeveer 600.000 mensen in Jasenovac vermoord, onder wie Serven, Joden, Zigeuners en Kroaten die zich tegen de Ustasa-regering verzetten. Onder de slachtoffers waren ongeveer 25.000 Joden die meestal voor augustus 1942 in Jasenovac waren aangekomen (dat was het tijdstip waarop de Duitsers begonnen met het deporteren van de Joden van Kroatië naar Auschwitz).

Uit heel Kroatië werden Joden naar Jasenovac gebracht. De meesten werden direct na aankomst; een klein aantal geschoolde vaklieden werd in leven gehouden om in het kamp te werken. De gevangenen moesten onder afschuwelijke condities leven en ondergingen een wrede behandeling door de Ustasa-bewakers. Tegen het einde van de oorlog blies de leiding van de Jasenovac een groot deel van het kamp op en doodde de meeste gevangenen in een poging bewijzen van de begane massamoord te verbergen.

Joodse Raden op bevel van de Duitsers opgezet in de Joodse gemeenschappen in het door de nazi’s bezette Europa. De Judenräte werden belast met de verantwoordelijkheid het beleid van de nazi’s betreffende de Joden ten uitvoer te brengen. Deze Joodse Raden moesten vaak balanceren op het scherpst van de snede: aan de ene kant voelden zij zich verantwoordelijk om hun lotgenoten zo goed mogelijk te helpen; aan de andere kant werd van hen verwacht de bevelen van de nazi-autoriteiten uit te voeren, vaak ten koste van hun lotgenoten. De rol die de Judenräte hebben gespeeld is een van de meest controversiële aspecten van de tijd van de holocaust. De opzet van de Judenräte volgde geen vast patroon: in sommige gevallen was een Judenrat verantwoordelijk voor slechts één stad, terwijl in andere gevallen een Judenrat of soortgelijk lichaam zeggenschap had over een heel district, of soms over een heel land, zoals in Duitsland, Frankrijk, België, Nederland, Slowakijë, Roemenië en het Protectoraat Bohemen en Moravië. De eerste Judenräte werden in de herfst van 1939 opgezet in bezet Polen, slechts enkele weken nadat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken, op bevel van het hoofd van de Gestapo, Reinhard Heydrich en ten uitvoer gebracht door het hoofd van het Gouvernement-General Hans Frank. Zij werden samengesteld uit ‘invloedrijke personen en rabbijnen’.

Frank beval dat in gebieden met minder dan 10.000 Joden, de Judenrat 12 leden moest hebben, terwijl in grotere steden en plaatsen de Raad moest bestaan uit 24 leden. De Raden moesten door de lokale bevolking gekozen worden en de Raad zelf moest zijn voorzitter en vice-voorzitter kiezen. Vervolgens moesten de Duitsers de keuze goedkeuren. In bepaalde gevallen weigerden Joodse activisten zitting te nemen in de Judenräte, omdat ze –terecht- vreesden dat de Duitsers van plan waren de raden uit te buiten en dat ze deze zouden dwingen tegen hun lotgenoten gerichte daden te verrichten. Maar in het algemeen namen de meeste Joodse leiders zitting in de Judenräte.

Nadat de Judenräte waren geïnstalleerd, droegen de Duitsers hun op verschillende administratieve en economische maatregelen uit te voeren die vernietigend waren voor de Joden. In de meeste gevallen probeerden de Judenräte de maatregelen te vertragen of te verlichten. Andere leden van de Judenrätegeloofden dat als ze gehoor zouden geven aan de eisen van de Duitsers, deze zouden zien hoe productief de Joden konden zijn en hen derhalve minder hard aan zouden pakken. In enkele gevallen deden de Judenräte hun voordeel met hun bevoorrechte positie, hetgeen tot veel vijandigheid en kritiek leidde van de zijde van de Joodse gemeenschappen.

De Judenräte kregen de opdracht Joden van hun huizen naar de getto’s te brengen, de rust te bewaren en te voorkomen dat er gesmokkeld werd. Bovendien waren zij verantwoordelijk voor het uitreiken van de schrale voedselrantsoenen, toegewezen door de Duitsers. In sommige gevallen probeerden de Judenrätede honger in hun getto’s te verlichten door illegaal voedsel te verwerven. De raden zetten ook onderlinge hulporganisaties, ziekenhuizen, medische klinieken en weeshuizen op. Vanaf 1940 kregen de Judenräte de opdracht arbeiders te leveren voor dwangarbeid in de werkkampen. In de meeste gevallen voldeden de Raden aan de eisen van de Duitsers en veroorzaakten daardoor nog meer spanning in de gemeenschap.

Toen de nazi’s een begin maakte met de Endlösung - de vernietiging van de Europese Joden – eisten zij van vele Judenräte dat zij de namen van Joden opgaven die gedeporteerd moesten worden naar de vernietigingskampen. Iedere Raad moest beslissen of en hoezeer ze de Duitsers zouden gehoorzamen. De meeste zochten manieren om het proces van deportation tegen te houden of ten minste te vertragen; sommige deden dit door een politiek van ‘redding door werk’ te volgen. Zij probeerden de Duitsers ervan te overtuigen dat de Joden belangrijk waren voor de oorlogseconomie als producenten van verscheidene belangrijke producten en wapens en dat de Duitsers het zich niet konden permitteren hen massaal te vernietigen. Sommige Raden besloten bepaalde mensen uit de gemeenschap op te offeren om daarmee de meerderheid te redden. Zowel tijdens als na de oorlog riep deze praktijk veel kritiek en verdeeldheid op. In verschillende gevallen namen de leden van de Judenräte deel aan het plannen van en uitvoeren van het gewapend verzet tegen de nazi’s.

(geb. 1914) Schuilnaam van Jan Kozielewski, een Poolse niet-Jood die de berichten over de holocaust naar het westen bracht. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog sloot Karski zich aan bij de Poolse ondergrondse en fungeerde hij als boodschapper van de Poolse regering in ballingschap. In 1942 werd hij naar London gestuurd, waar de Poolse regering in ballingschap was gevestigd om rapport uit te brengen over de toestand van het door de nazi’s bezette Polen, in het bijzonder over de situatie van de Joden. Karski wilde een accuraat rapport uitbrengen, daarom bezocht hij tweemaal het getto van Warschau en een doorgangskamp voor deportatie naar Treblinka, waarschijnlijk Izbica. Tijdens zijn bezoeken ontmoette Karski Joodse leiders die hem vroegen het westen op de hoogte te stellen van de ellendige toestand van de Joden.

In november 1942 kwam Karski in Londen aan. Hij presenteerde zijn rapport aan de Poolse regering in ballingschap en had vervolgens een ontmoeting met minister-president Winston Churchill en diverse andere politici, algemeen bekende personen en journalisten. In december vroeg de Poolse regering, op grond van de getuigenis van Karski, te bemiddelen ten behoeve van de Poolse Joden en de massamoorden tegen te houden. Na zijn bezoek aan Londen, reisde Karski door naar de Verenigde Staten, waar hij een ontmoeting had met president Franklin Roosevelt en anderen en probeerde mensen ertoe te brengen de Duitsers tegen te houden.

In 1982 kreeg Karski de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren van Yad Vashem.

Pools-Joodse arts, schrijver en opvoedkundige. Korczak werd in Warschau geboren in een geassimileerd Joods gezin en wijdde zijn leven aan de zorg voor kinderen, vooral voor wezen. Hij was van mening dat er altijd naar kinderen moest worden geluisterd en dat ze gerespecteerd moesten worden en dit kwam naar voren in zijn werk. Hij schreef verschillende boeken voor en over kinderen en presenteerde een kinderprogramma voor de radio.
In 1912 werd Korczak directeur van een Joods weeshuis in Warschau. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 weigerde Korczak eerst de Duitse bezetting te accepteren en zich aan hun verordeningen te houden (ten gevolge waarvan hij enige tijd in de gevangenis doorbracht). Toen de Joden gedwongen werden naar een getto te verhuizen, richtte Korczak zijn inspanningen weer, zoals altijd, op de kinderen in zijn weeshuis. Ondanks aanbiedingen van Poolse vrienden hem een schuilplaats te bieden aan de ‘arische’ kant van de stad, weigerde Korczak de kinderen in de steek te laten.
Op 5 augustus 1942 dreven de nazi’s tijdens een twee maanden durende golf van deportaties Korczak en zijn 200 kinderen op. Ze marcheerden in de rij naar de Umschlagplatz met Korczak voorop. Hij liet zijn kinderen tot het bittere einde niet in de steek. Korczak en de kinderen werden naar Treblinka gebracht, waar zij allen werden vermoord.

Een van de drie grootste arbeidskampen in Estland. Klooga, dat in de zomer van 1943 werd geïnstalleerd, was een subkamp van het concentratiekamp Vaivara. Er verbleven ongeveer 2.000 – 3.000 gevangenen, van wie de meesten aankwamen in augustus en september 1943 en afkomstig waren uit het getto van Vilna. Een kleinere groep kwam uit het getto van Kovno en er werden daar ook ongeveer 100 krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie geïnterneerd.

De Duitsers zetten kampen op in Estland teneinde gebruik te kunnen maken van de lokale natuurlijke grondstoffen. De gevangenen moesten goederen maken voor de Duitse Wehrmacht en versterkingen bouwen tegen het Sovjetleger dat naderde. In Klooga werkten de meeste gevangenen in steen- en cementfabrieken en in de zagerijen, een kleinere groep werkte in een klompenfabriek. De omstandigheden in het kamp waren beestachtig, de gevangenen kregen schrale voedsel- en waterrantsoenen en moesten onmenselijk hard werken, ook als ze ziek waren. Er was een ondergrondse groep actief in Klooga, maar omdat de gevangenen vaak overgeplaatst werden, was deze niet in staat een opstand te organiseren.

In de zomer van 1944 begonnen de Duitsers met de evacuatie van Klooga. Op 19 september schoten de SS’ers de laatste 2.500 gevangenen van het kamp neer. Slechts 85 gevangenen slaagden erin zich te verschuilen en overleefden.

Stad in Zuid-Polen. Net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden er 60.000 Joden in Krakow op een totaal inwoneraantal van 25.000. In de eerste dagen van de oorlog ontvluchtten duizenden Joden de stad.

Op 6 september bezetten Duitse troepen Krakow en begonnen onmiddelijk met de vervolging van de Joden. Eind oktober maakten de nazi’s Krakow tot de hoofdstad van het Gouvernement-General; hierdoor werd de vervolging van de Joden nog heviger. Al spoedig werd er een Joods comité gevormd: dit werd op 28 november een Judenrat. Begin december voerden de Duitsers een terreuractie uit waarbij verscheidene synagogen in brand werden gestoken en veel Joodse eigendommen in beslag werden genomen.

In mei 1940 begonnen de Duitsers met het uitwijzen van de Joden uit Krakow en stuurden hen naar steden in de omgeving. Hun bedoeling was de hoofdstad van Gouvernement-Generaal vrij van Joden te maken. In maart 1941 waren al zo’n 40.000 Joden uit hun huizen verdreven en waren slechts 11.000 in de stad overgebleven. Bij de uitwijzing werd de Joden alles afgenomen. Dezelfde maand zetten de Duitse autoriteiten een getto op in het zuidelijke deel van Krakow. Op 20 maart werd het getto afgesloten met een muur en prikkeldraad. De overgebleven Joden van Krakow en vele anderen uit gemeenschappen in de buurt werden in het getto samengedreven. Tegen het einde van 1941 zaten ongeveer 18.000 Joden in het getto gevangen. Het getto was zwaar overbevolkt en de sanitaire voorzieningen waren bijzonder slecht. Bovendien vestigden Duitsers fabrieken in het getto, zodat zij gebruik konden maken van goedkope Joodse mankracht.

Binnen het getto werden verschilllende Joodse organisaties opgericht om de vreselijke omstandigheden te verbeteren. Goed werk werd verricht door de Joodse Zelfhulp Organisatie en de Federatie van Verenigingen voor de Wezenzorg.

Op 19 maart 1942 voerden de Duitsers een terreuractie uit tegen de intellectuelen in het getto. Bij deze Intelligenz Aktion werden 50 bekende Joden gedeporteerd naar Auschwitz en daar vermoord. Eind mei begonnen de Duitsers met het deporteren van de rest van de bevolking van het getto naar vernietigingskampen. De Aktion begon op 28 mei en werd uitgevoerd door de Gestapo, de gewone politie en onderdelen van het leger. Tijdens de operatie, die duurde tot 8 juni, werden 300 Joden ter plaatse gedood en 6.000 gedeporteerd naar Belzec. Onder hen was de voorzitter van de Judenrat, Arthur Rosenzweig, die geweigerd had met de Duitsers samen te werken en daarom werd gestraft.

Na de Aktion werd de Judenrat opgeheven en werd er een Kommissariat geïnstalleerd. Het getto werd tot de helft ingekrompen, hoewel er nog steeds 12.000 Joden woonden, nadat het Komissariat had geweigerd medewerking aan de Duitsers te verlenen, begon een tweede Aktion, waarin 7.000 Joden naar Belzec en Auschwitz werden gedeporteerd en 700 ter plaatse werden doodgeschoten. Na deze Aktion werd de ruimte van het getto nog verder beperkt en verdeelden de Duitsers het overgebleven deel in tweeën, een deel voor de Joden die werkten, het andere deel voor de rest van de gevangenen. 

In maart 1943 brachten de Duitsers 2.000 werkende Joden over naar het kamp Plaszow en begonnen vervolgens met de opheffing van de rest van het getto, waarbij zij 700 Joden ter plaatse vermoordden en 2.300 naar Auschwitz deporteerden. Slechts enige honderden Joden die naar Plaszow waren gestuurd, overleefden de oorlog.

Zolang het getto van Krakow bestond waren verschillende verzetsorganisaties daar actief. In oktober 1942 werden verschillende groepen verenigd in een ondergrondse organisatie, de Joodse Strijd Organisatie. De leiders van de organisaties besloten geen opstand te organiseren binnen het getto, waar de ruimte beperkt was, maar deze te verplaatsen naar de Poolse kant van Krakow. Zij slaagden erin tien operaties buiten het getto uit te voeren, waarvan de aanval op een café in het centrum van de stad, waarbij elf Duitsers werden gedood en 13 gewond, de meeste indruk maakte. Eind 1943 werden twee ondergrondse leiders, Sjimsjon en Tova Draenger, gepakt in het appartement van een man die Joden naar Hongarije smokkelde. Zij werden blijkbaar door de Duitsers geëxecuteerd en na hun verdwijning werd de ondergrondse ontbonden.

Pogrom op 9-10 november 1938 in heel Duitsland en Oostenrijk door de nazi’s uitgevoerd. De naam verwijst naar het glas van de etalageruiten die door de relschoppers waren ingeslagen. Officieel had de Kristallknacht plaats in verband met de moord op 7 november in Parijs van een employé van de Duitse ambassade, Ernst Von Rath, door een jonge Joodse vluchteling Herschel Grynzpan. Op 9 november overleed von Rath aan zijn verwondingen.

Diezelfde nacht kwam een groep nazi-leiders in München bijeen om Hitler’s (mislukte) poging in 1923 om de Beierse regering over te nemen, te herdenken. De nazi-minister van Propaganda, Joseph Goebbels, vertelde de andere deelnemers dat de tijd was gekomen om de Joden aan te pakken. De nazi-leiders stuurden vervolgens instructies aan hun mannen in het hele land: ze moesten zich niet gedragen als de aanstichters van de pogrom, maar moesten er wel aan deelnemen. Binnen enkele uren braken er wilde rellen uit. De etalageruiten van Joodse winkels werden ingegooid en de winkels werden geplunderd, honderden synagogen en Joodse huizen werden in brand gestoken en vele Joden werden mishandeld. Ongeveer 30.000 Joden, van wie velen rijke en vooraanstaande leden van hun Joodse gemeenschappen waren, werden gearresteerd en gedeporteerd naar concentratiekampen in Dachau, Sachsenhausen en Buchenwald, waar zij werden blootgesteld aan een onmenselijke een beestachtige behandeling. Velen van hen kwamen om. Tijdens de pogrom zelf werden ongeveer 90 Joden vermoord.

Toen de pogrom voorbij was, gingen de nazi’s door met andere strenge anti-Joodse maatregelen. De arisering, het confisqueren van Joodse eigendommen, werd geïntensiveerd; de Joodse gemeenschap werd gedwongen een boete van een miljard rijksmark te betalen, zogenaamd als vergelding voor de dood van Von Rath; en de Duitsers zetten een Centraal Departement voor Joodse Emigratie op (Zentralstelle für jüdische Auswanderung), om de Joden aan te moedigen het land te verlaten.

De landen in het westen en zelfs de Sovjet-Unie waren geschokt door de Kristallnacht en sommige regeringen gingen ertoe over als reactie hierop meer vluchtelingen toe te laten. De nazi’s lieten zich daar echter niet door weerhouden en gingen zonder ophouden door met hun plan de Europese Joden te vernietigen.

Stad in het zuiden van Frankrijk, waarvan de bewoners tussen 1941 en 1944 3.000-5.000 Joden beschermden tegen de nazi’s. De reddingsactiviteiten, die plaatsvonden in Le Chambon, werden in gang gezet en geleid door de pastor van de stad, André Trocmé en zijn vrouw Magda. Trocme activeerde de mensen Joden die door de nazi’s op de vlucht waren te helpen door hen in hun huizen en boerderijen te verbergen. Andere Joden kregen een schuilplaats in kindertehuizen en openbare instituten in Le Chambon. Vervolgens werden sommigen de grens over gesmokkeld naar Zwitserland. Vrijwilligers uit Le Chambon, zoals pastoor Edouard Theis, namen deze Joden mee op gevaarlijke reizen door Franse steden en dorpen; bij de Zwitserse grens gaven ze deze Joden door aan protestantse vrijwilligers aan de andere kant.

Een neef van pastor Trocmé, Daniel Trocmé, was directeur van een kindertehuis in Le Chambon. In die functie redde hij vele Joodse kinderen. In juni 1943 kwamen de Duitsers er echter achter en werd hij naar het concentratiekamp Buchenwald gestuurd, waar hij omkwam. André Trocmé werd ook gearresteerd, maar weer vrijgelaten. Na de oorlog werden André Trocmé, Daniel Trocmé, Edouard Theis en 32 andere inwoners van Le Chambon door Yad Vashem onderscheiden als Rechtvaardige onder de Volkeren.

Stad in POLEN. Belangrijk centrum van Joodse cultuur, waar voor het begin van de Tweede Wereldoorlog 223.000 Joden woonden.

De Duitsers vielen Lodz op 8 september 1939 binnen. Zij wezen de stad aan als onderdeel van de Wartegau, een Pools gebied dat was geannexeerd door het Rijk. Direct na de bezetting begonnen de Duitsers met de vervolging van de Joden in de stad. Zij organiseerden rellen en haalden Joden op om dwangarbeid te verrichten. De Joden mochten van ’s middags 5 tot ’s avonds 8 uur hun huis niet uit en werden economisch gezien beperkt. De Duitsers verboden zelfs de diensten in de synagoge. Op 9 november werd Lodz officieel door het Reich geannexeerd en van 15 tot 17 november maakten de Duitsers alle synagogen in de stad met de grond gelijk. Tegelijkertijd werd de Joden bevolen de Jodenster te dragen. In oktober 1939 stelden de Duisters een Judenrat aan (in Lodz bekend als Ältestenrat, Raad van Ouderen) met Mordechai Chaim Rumkowski als voorzitter.

Vanaf het begin van de Duitse bezetting werden de Joden van Lodz onderworpen aan periodieke uitwijzingen. In maart 1940 hadden al 70.000 Joden de stad verlaten. Sommigen waren gevlucht, maar de meesten werden door de Duitsers gedeporteerd. In februari werd een getto opgezet, dat eind april werd afgesloten; ongeveer 164.000 Joden werden erin samengepakt. Aan het hoofd van het gettobetsuur stond Hans Biebow, wiens belangrijkste zorg was geld te verdienen voor de SS; hij liet fabrieken in het getto bouwen waar Joden werden uitgebuit ten behoeve van de Duitse oorlogseconomie. De Ältestenrat klampte zich vast aan deze fabrieken om de Joodse productiviteit te kunnen bewijzen in de hoop dat dit Joodse levens zou redden, en spande zich in voor steeds meer Joden werk te zoeken.

Gedurende de jaren 1941 en 1942 kwamen er nog eens 38.500 Joden in het getto van Lodz terecht, onder wie Joden uit Duitsland, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Luxemburg en uit andere steden in de Warthegau. Eind 1942 waren zo’n 204.800 mensen door het getto heen gegaan. Ongeveer 43.500 messen stierven ten gevolge honger, ziekte en kou.

In december 1940 begonnnen de deportaties uit het getto van Lodz. Eerst werden de Joden van het getto naar dwangarbeiderskampen buiten de stad overgebracht. Vanaf januari 1942 werden ze rechtstreeks naar het vernietigingskamp Chelmno gestuurd. Begin september van dat jaar had nóg een deportatie-Aktionplaats. Bijna 20.000 Joden werden naar Chelmno gestuurd en honderden werden tijdens de deportatie ter plekke doodgeschoten.

Van september 1942 tot mei 1944 waren er geen deportaties meer en was het leven in Lodz betrekkelijk rusitg voor de overgebleven 77.000 bewoners van het getto. In die tijd droegen ondergrondse politieke partijen en jeugdbewegingen veel bij aan politieke, sociale en culturele activiteiten. Deze groeperingen konden echter niets doen voor hun lotgenoten toen de Duitsers in mei 1944 besloten het getto van Lodz voor eens en altijd te sluiten. De nazi’s begonnen weer met transporten naar Chelmno en in juli waren er al meer dan 7.000 Joden gedeporteerd. Begin augustus stippelden de nazi’s een andere route uit en eindigden de deportaties in Auschwitz om het vernietigingsproces te versnellen. Op 30 augustus, de datum van het laatste transport naar Auschwitz, waren er ongeveer 70.000 Joden naar het beruchte vernietigingskamp gestuurd. Er bleven slechts 1.200 Joden achter in Lodz; 600 van hen werden naar werkkampen in Duitsland gestuurd en de andere 600 werden in een kamp binnen Lodz opgesloten (de Radogoscz-gevangenis). De nazi’s waren van plan alle gevangenen in dat kamp te doden voordat zij zich terugtrokken, maar de gevangenen slaagden erin naar het erin naar het getto te ontvluchten, waar zij 19 januari 1945 door het Sovjetleger werden bevrijd. Aan het eind van de oorlog bleken niet meer dan 7.000 Joden uit het getto van Lodz de concentratiekampen te hebben overleefd.

Stad in Polen en hoofdstad van de regio Lublin. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog woonden er ongeveer 40.000 Joden in Lublin. Tijdens de eerste weken van de oorlog, voordat het Duitse leger Lublin bereikte, zochten duizenden Joden toevlucht in de stad. Op 18 september 1939 bezetten de Duitsers de stad en zij begonnen direct met het vervolgen van de Joden: velen werden naar dwangarbeiderskampen gestuurd, anderen werden mishandeld door de Duitsers en Joodse eigendommen werden geconfisqueerd. In november 1939 werden de Joden gedwongen de Jodenster te dragen, zij werden beperkt in hun bewegingen en de Joden die in de hoofdstraat van de stad woonden werden hun huizen uitgezet.

Al spoedig begonnen de Duitsers met het uitvoeren van een omvangrijk plan om alle Joden uit Polen en het Rijk te deporteren naar het Lublin-district. Dit plan, bekend als het Nisko en Lublin Plan, werd uiteindelijk geschrapt, maar in februari waren er al 6.300 Joden naar het gebied overgebracht.

In januari 1940 installeerden de Duitsers een Judenrat in Lulbin. De Judenrat vestigde sociale instellingen, gaarkeukens, gezondheidsdiensten en weeshuizen. Toen de Duitsers echter begonnen met het arresteren van Joden voor dwangarbeid, kreeg de Judenrat het bevel lijsten van nog meer Joodse namen te verschaffen. De Raad bezweek uiteindelijk onder de Duitse druk, tot afschuw van de Joden in de stad.

In het voorjaar van 1941 bevalen de Duitsers de inrichting van een getto in Lublin. Als voorbereiding dunden zij de Joodse bevolkingsgroep van de stad uit door 10.000 Joden naar nabijgelegen steden over te brengen. Het getto was in maart 1941 klaar; er woonden meer dan 34.000 Joden.

Op 17 maart 1942 begon de deportatie van Joden naar het vernietigingskamp Belzec; dagelijks werden tot 1.400 Joden gedeporteerd. Deze deportatie-Aktion eindigde op 20 april, nadat 30.000 Joden de dood waren ingejaagd en er nog slechts 4.000 in de stad waren overgebleven. Deze Joden werden overgebracht naar een buitenwijk van Lublin; in de komende paar maanden werden zij onderworpen aan periodieke selecties. In oktober waren 3.800 mensen geselecteerd voor deportatie naar Majdanek, in de buurt van de stad. In juli 1944 werden de laatste Joden uit Lublin door de Duitsers vermoord. In dezelfde maand werd de stad bevrijd.

Lvov (in het Pools, Lwow; in het Oekraïens, Lviv; in het Duits, Lemberg) Stad in Oost-Galicië, nu deel uitmakende van de Oekraïne. Voor de Tweede Wereldoorlog stond Lvov onder Pools bewind, maar werd ook opgeëist door Oekraïense nationalisten. 
In 1939 woonden er 110.000 Joden in Lvov, een derde van het totale inwonertal van de stad.

Op basis van de voorwaarden van het nazi–Sovjet pact dat net voordat de oorlog uitbrak werd getekend, bezetten de Sovjets in September 1939 de stad Lvov.

Spoedig kwamen er 100.000 Joodse vluchtelingen aan uit het door de Duitsers bezette westelijke gebieden van Polen.

In juni 1941 viel Duitsland zijn vroegere bondgenoot de Sovjet-Unie aan. Direct na hun aankomst in Lvov werd begonnen met het doden van van de Joden.

Begin juli waren er 4.000 Joden gedood, meestal door de Oekraïense collaborateurs. Enige dagen later hielden de Oekraïeners weer een pogrom, waarbij 2.000 Joden werden omgebracht.

Eind juli werd een Judenrat geïnstalleerd. De voorzitter, Joseph Parnes, weigerde Joden over te dragen voor de concentratiekampen en werd hiervoor eind oktober gedood. De hele zomer door werden Joden naar dwangarbeiderskampen gestuurd, synagogen verbrand en Joodse bezittingen geplunderd.

In November werd er een getto geïnstalleerd. Er werden tienduizenden Joden samen gestopt; ongeveer 5.000 zieke en oude Joden werden tevoren gedood, om overbevolking in the getto te voorkomen.

In maart 1942 hielp de Judenrat de Duitsers om lijsten op te stellen van Joden die gedeporteerd moesten worden. De maand daarop werden 15.000 Joden naar Belzec gestuurd.

De hele zomer van 1942 door werden 50.000 Joden naar Belzec gedeporteerd en naar Janowska, een kamp binnen de stadsgrenzen, overgebracht.

In september werden de overgebleven Joden naar een kleiner getto overgebracht en in november werden deze onproductieve Joden naar Janowska of Belzec getransporteerd of vermoord.

In januari 1943 werd de Judenrat ontbonden, van het getto werd een werkkamp gemaakt en 10.000 Joden zonder werkvergunning werden gedood.

In mei en juni begonnen de Duitsers ook met het vermoorden van Joden die wel een werkvergunning hadden. Een kleine ondergrondse groep probeerde zich te verdedigen en doodde verscheidene nazi’s.

Enkele leden van de groep slaagden erin de partizanen in het bos te bereiken. In 1944 werd Lvov bevrijd; enige honderden Joden kwamen uit hun schuilplaats.

Lvov (in het Pools, Lwow; in het Oekraïens, Lviv; in het Duits, Lemberg) Stad in Oost-Galicië, nu deel uitmakende van de Oekraïne. Voor de Tweede Wereldoorlog stond Lvov onder Pools bewind, maar werd ook opgeëist door Oekraïense nationalisten. 
In 1939 woonden er 110.000 Joden in Lvov, een derde van het totale inwonertal van de stad.

Op basis van de voorwaarden van het nazi–Sovjet pact dat net voordat de oorlog uitbrak werd getekend, bezetten de Sovjets in September 1939 de stad Lvov.

Spoedig kwamen er 100.000 Joodse vluchtelingen aan uit het door de Duitsers bezette westelijke gebieden van Polen.

In juni 1941 viel Duitsland zijn vroegere bondgenoot de Sovjet-Unie aan. Direct na hun aankomst in Lvov werd begonnen met het doden van van de Joden.

Begin juli waren er 4.000 Joden gedood, meestal door de Oekraïense collaborateurs. Enige dagen later hielden de Oekraïeners weer een pogrom, waarbij 2.000 Joden werden omgebracht.

Eind juli werd een Judenrat geïnstalleerd. De voorzitter, Joseph Parnes, weigerde Joden over te dragen voor de concentratiekampen en werd hiervoor eind oktober gedood. De hele zomer door werden Joden naar dwangarbeiderskampen gestuurd, synagogen verbrand en Joodse bezittingen geplunderd.

In November werd er een getto geïnstalleerd. Er werden tienduizenden Joden samen gestopt; ongeveer 5.000 zieke en oude Joden werden tevoren gedood, om overbevolking in the getto te voorkomen.

In maart 1942 hielp de Judenrat de Duitsers om lijsten op te stellen van Joden die gedeporteerd moesten worden. De maand daarop werden 15.000 Joden naar Belzec gestuurd.

De hele zomer van 1942 door werden 50.000 Joden naar Belzec gedeporteerd en naar Janowska, een kamp binnen de stadsgrenzen, overgebracht.

In september werden de overgebleven Joden naar een kleiner getto overgebracht en in november werden deze onproductieve Joden naar Janowska of Belzec getransporteerd of vermoord.

In januari 1943 werd de Judenrat ontbonden, van het getto werd een werkkamp gemaakt en 10.000 Joden zonder werkvergunning werden gedood.

In mei en juni begonnen de Duitsers ook met het vermoorden van Joden die wel een werkvergunning hadden. Een kleine ondergrondse groep probeerde zich te verdedigen en doodde verscheidene nazi’s.

Enkele leden van de groep slaagden erin de partizanen in het bos te bereiken. In 1944 werd Lvov bevrijd; enige honderden Joden kwamen uit hun schuilplaats.

Concentratiekamp gelegen in een voorstad van Lublin, dat in de Tweede Wereldoorlog deel uitmaakte van het Gouvernement-Generaal. Het officiële doel van het kamp was de vijanden van het Derde Rijk te vernietigen, te helpen bij de vernietiging van de Joden en deel te nemen aan de deportatie en hervestiging van de Polen die in de Zamosc-regio van het Gouvernement-Generaal woonden. In totaal kwamen ongeveer 360.000 slachtoffers in Majdanek om.

Majdanek omvatte ongveer 260 hectare land aan de verbindingsweg tussen Lublin, Zamosc en Chelm. Het had onder een sterke stroom staande dubbele omheining en negentien wachttorens, met bewakers die ervoor zorgden dat niemand kon ontsnappen. Het kamp bestond uit 5 secties, waarop 22 gevangenisberakken stonden, zeven gaskamers, 2 houten galgen, een klein crematorium en verschillende utiliteitsgebouwen zoals magazijnen, werkplaatsen, wasserijen en opslagplaatsen voor steenkolen. Er konden tot 45.000 gevangenen worden ondergebracht in Majdanek. De afdeling voor de SS bestond uit hun woonhuizen, de kantoren van de kampcommandant en een casino. In september 1943 werd er een groter crematorium bij gebouwd. Majdanek had ook satellietkampen, zoals Bgudzyn en kampen in Radom en Warschau. De nazi’s hadden grote plannen om Majdanek uit te breiden; zij wilden barakken bouwen voor 250.000 gevangenen, fabrieken, meer gaskamers en een effectiever crematorium. Hun plannen werden evenwel nooit geheel gerealiseerd.

Vanaf de opening in 1941 tot de bevrijding in juli 1944, werd Majdanek geleid door vijf verschillende kampcommandanten. Dat waren Karl Koch, Max Koegel, Herman Florsted, Martin Weiss en Arhur Liebehenschel.

De eerste gevangenen kwamen in oktober 1941 in Majdanek aan. De volgende tweeënhalf jaar volgden vele groepen. Hierbij waren gevangenen uit Sovjet krijgsgevangenkampen en uit andere concentratiekampen, zoals Sachsenhausen, Dachau, Buchenwald, Auschwitz, Neuengamme, Grossrosen, Gusen en Flossenberg; Poolse burgers die tijdens Duitse razzia’s waren gearresteerd of elders gevangen, Nederland, Frankrijk, Hongarije, België en Griekenland; niet-Joden uit Wit-Rusland en de Oekraïne en Poolse boeren uit de Zamosc-regio die uit hun huizen waren gezet. Tienduizenden Joden uit Warschau werden naar Majdanek gedeporteerd na de opstand in het getto van Warschau in april 1943 en duizenden Joden uit Bialystok werden naar het kamp overgebracht na de opheffing van het getto daar in augustus 1943.

In totaal kwamen bijna 500.000 mensen van 54 verschillende nationaliteiten, uit 28 verschillende landen, Majdanek binnen; van hen kwamen ongeveer 360.000 mensen in het kamp om: 60 procent stierf ten gevolge van de jammerlijke omstandigheden daar, door ziekte, verhongering, koude, te lang werken en uitputting, of na mishandeling door de kampbewakers. De andere 40 procent werd vermoord in de gaskamers of op een andere manier ter dood gebracht, bijvoorbeeld door massale schietpartijen, die in het kamp zelf of in de buurt werden uitgevoerd. In 1941 schoten de Duitsers zieke krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie dood; in april 1942 schoten zij 2.800 Joden neer; dat voorjaar werden duizenden andere gevangenen gedood; 300 Sovjetlegerofficieren werden in de zomer van 1943 neergeschoten; en op 3 november 1943 werden op één dag 18.000 Joden doodgeschoten. Dat laatste bloedbad was onderdeel van de Erntefest-operatie. De Joden werden neergeschoten in diepe kuilen, terwijl op de achtergrond Duitse dansmuziek dreunde om de geluiden van de schoten en de stervenden te smoren. De meesten die in de gaskamers om het leven kwamen waren Joden. In feite werden vele Joodse gevangenen onmiddelijk na aankomst in Majdanek naar de gaskamers gebracht. In dit opzicht beschouwen sommige historici Majdanek als een vernietigingskamp en niet als een concentratiekamp. Er bestonden verscheidene verzetsbewegingen in Majdanek en van tijd tot tijd deden groepjes individuelen ontsnappingspogingen. De Poolse gevangenen in Majdanek werden geholpen door de Poolse verzetsbeweging en Poolse hulporganisaties, zoals het Poolse Rode Kruis of de Centrale Raad van Welzijn.

In Juli 1944 was het oprukkende Sovjetleger erg dichtbij, reden voor de Duitsers om Majdanek op te heffen. Ongeveer 1.000 gevangenen werden geëvacueerd; slechts de helft van hen bereitkte Auschwitz. Voordat zij het kamp verlieten, vernietigde de Duitse staf alle belastende documenten en werden het grote crematoriun en andere gebouwen in brand gestoken. De Duitsers hadden echter zo’n haast om het kamp te ontruimen, dat zij nalieten de meeste gevangenenbarakken en de gaskamers te vernietigen. Op 24 juli werd het kamp door het Sovjetleger bevrijd. Er waren nog slechts enkele honderden Joodse gevangenen in leven gebleven.

Direct na de bevrijding van het kamp stelde een gecombineerde Sovjet-Poolse commissie een onderzoek in naar de oorlogsmisdaden die in Majdanek waren begaan. Binnen twee maanden verscheen een rapport. Slechts een klein aantal van de 1.300 stafleden die in Majdanek hadden gewerkt, werd zelfs maar voor het gerecht gebracht. In november 1944 stonden zes SS-ers terecht voor hun dienstverlening in Majdanek. Vier van hen werden ter dood veroordeeld en de andere twee pleegden zelfmoord voordat hun straf werd uitgesproken. Van 1946-1948 stonden nog eens 95 SS-ers, voor het merendeel bewakers uit Majdanek terecht. Sommigen kregen de doodstraf, de anderen gevangenisstraf. Van 1975-1980 stonden nog eens zestien stafleden uit Majdanek in Duitsland terecht.
Vandaag de dag is Majdanek een van de best bewaarde voorbeelden hoe een nazi-kamp eruitzag. Bepaalde belangrijke secties van het kamp staan nog steeds overeind; deze vormen een museum ter herdenking aan hen die hier door de nazi’s werden gedood. De oorspronkelijke gaskamers en crematoria zijn nu een zwijgend eerbetoon aan de 360.000 slachtoffers van Majadanek. Naast het gebouw met de gaskamers staat een koepelvormig bouwwerk dat een kolossale berg as bedekt die uit de crematoria van het kamp is gehaald.

Concentratiekamp gelegen nabij een ongebruikte steengroeve ongeveer vijf kilometer van de stad Mauthausen in noordelijk Oostenrijk. Mauthausen werd in augustus 1938 in gebruik genomen, slechts enkele maanden na de Anschluss - de annexatie van Oostenrijk door Duitsland. De eerste gevangenen werden gedwongen het kamp te bouwen en in de steengroeve te werken. Het werk in de steengroeve heeft vele gevangenen het leven gekost.

In het eerste jaar waren de 1.100 gevangenen die naar Mauthausen werden gebracht gewone misdadigers, mensen die asociaal werden geacht en ongeschikt om de Duitse maatschappij te leven, en politieke tegenstanders van het Rijk, onder wie een groep politieke gevangenen die uit Dachau was overgebracht. De hele oorlog lang werd het kamp hoofdzakelijk gebruikt voor politieke en ideologische tegenstanders van het nazi-regime. Mauthausen was in drie afdelingen verdeeld: het gevangenenkamp, de administratiegebouwen en de behuizing van de SS. De gevangenen verbleven in de 20 barakken van kamp no.1. Elke barak was bedoeld voor 300 gevangenen, maar meestal werden er meer dan 600 ingepropt. Vier barakken waren quarantainebarakken, waar de pas aangekomen gevangenen drie weken moesten verblijven. Naderhand werden ze naar andere barakken verhuisd. Kamp no.2 was een werkplaatsterrein dat vier barakken omvatte. Vanaf het begin van 1944 was het ook een quarantainegebied. Kamp no. 3 dat in het voorjaar van 1944 werd gebouwd, omvatte oorspronkelijk zes barakken. Vanaf de zomer van 1944 werden daar de zieke en zwakke gevangenen ondergebracht voordat ze werden gedood.

Het kampcomplex werd bewaakt door nietsontziende doodshoofdtroepen van de SS. De gevangenen hadden verschillende functies in hierarchie, zoals kampoudste, afgevaardigden van de kampoudste en kampregistrator. Het werk in het kamp werd geconrtoleerd door kapo’s en de kampblokken werden geleid door de blokoudste, de blokregistrator en de kameroudsten. Alle gevangenen die een bepaalde leidende functie hadden kregen speciale privileges.

Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Mauthausen een kamp als andere concentratiekampen in Duitsland; meestal moesten de Duitse gevangenen bijzonder inspannende dwangarbeid verrichten, maar afgezien daarvan waren de omstandigheden in het kamp nog niet zo hard. Toen de oorlog begon, veranderde de zaak in Mauthausen. Het werd uitgebreid tot zowel een concentratiekamp als een moordcentrum voor politieke en ideologische tegenstanders uit het Rijk zelf en uit andere door de nazi’s bezette landen. De voedselrantsoenen werden verminderd en de gevangenen leefden in overvolle barakken en ongezonde omstandigheden. Dat leidde tot het uitbreken van dysenterie- en tyfusepidemieën, waardoor velen verzwakt raakten en stierven.

Aan het einde van 1939 was het aantal gevangenen in het kamp meer dan verdubbeld tot 2.666. In 1940 groeide het aantal nieuwe gevangenen explosief: dat jaar werden ongeveer 11.000 nieuwe gevangenen naar Mauthausen gestuurd, wat voor de kampleiding aanleiding was de eerste van een aantal satellietkampen in de omgeving op te zetten. Onder de gevangenen die in 1940 aankwamen, was een groep republikeinse Spanjaarden die uit Spanje waren gevlucht nadat generaal Fransisco Franco de Spaanse Burgeroorlog had gewonnen. Ze hadden hun toevlucht gezocht in Frankrijk om daar gearresteerd te worden door de nazi’s na de Duitse invasie in mei 1940. In 1941 kwamen in totaal 18.000 nieuwe gevangenen in Mauthausen aan, onder wie de eerste groep Joden die in mei uit Nederland waren gekomen. Verder kwamen er ook weer Spaanse gevangenen binnen, Tsjechische politieke gevangenen en meer dan 4.000 krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie. De meeste Tsjechische gevangenen werden die zomer vermoord als represaille voor de moord op SS-leider Reinhard Heydrich door Tsjechische verzetsstrijders. De Sovjetgevangenen verbleven in aparte barakken, die het Russische kamp werden genoemd. Ondanks het feit dat er vele nieuwe gevangenen arriveerden, waren er eind 1941 nog slechts 11.135 over ten gevolgen van het hoge sterftecijfer in het kamp. In 1942 kwamen er naast meer gevangenen uit Nederland, de Sovjet-Unie, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië, ook transporten binnen uit Frankrijk, België, Griekenland en Luxemburg. In het jaar 1943 kwamen er nog 21.028 gevangenen bij uit heel Europa. Daar waren weinig Joden bij. In dit jaar stierven meer dan 8.000 gevangenen in Mauthausen en het subkamp Gusen.

In 1944 kwamen er zoveel nieuwe gevangenen bij dat de Duitse autoriteiten de bouw bevalen van diverse satelietkampen. Er werden in totaal meer dan 65.000 nieuwe gevangenen geregistreerd en de maximumbevolking was dat jaar 114.524. In mei 1944 kwamen grote transporten Joden uit Auschwitz binnen. Het aantal Joden dat in dat jaar in Mauthausen stierf, was meer dan 3.000. Na het neerslaan van de Poolse opstand in Warschau in oktober 1944 kwamen vele groepen Polen in Mauthausen terecht. Vele Poolse studenten en ondergrondse strijders werden direct na aankomst gedood.

In 1945 kwamen er bijna 25.000 nieuwe gevangenen naar Mauthausen, onder wie een grote groep Joodse gevangenen uit Hongarije, die eerder gevangen zaten in kampen aan de Oostenrijks-Hongaarse grens, waar zij gedwongen waren geweest een versterkingslinie te bouwen. Toen het front naderde, werden de kmapen ontruimd en werden de gevangenen te voet afgemarcheerd naar Mauthausen. Velen stierven onderweg.

De Joden die in Mauthausen zaten, werden veel slechter behandeld dan de andere gevangenen. Zij moesten tunnels graven in de subkampen voor de ondergrondse ammunitiefabrieken en van hen werd verwacht dat zij dat in een onmenselijk snel tempo zouden doen. Na ongeveer een maand waren de Joodse werkers lichamelijk gebroken en zo uitgeput dat ze zich nauwelijk nog konden bewegen.

Op 3 mei 1945 nam een politie-eenheid uit Wenen de beveiliging in het kamp over . De dag daarop werd al het werk stilgelegd en vertrokken de SS-officieren. Op 5 mei arriveerden de Amerikanen en bevrijdden het kamp. In totaal zijn er 199.404 gevangenen in Mauthausen geweest. Ongeveer 119.000 van hen, onder wie 38.120 Joden, werden gedood of stierven door de slechte omstandigheden, uitputting, ondervoeding en te hard werken. In dit aantal zijn ook de zieke, zwakke en ongewenste gevangenen begrepen die in de perioden augustus 1941 tot oktober 1942 en april tot december 1944 naar het Hartheim kasteel in de buurt werden overgebracht om te worden gedood in de gaskamers aldaar.

(1911-1978) Duitse arts en SS-officier die fungeerde als hoofdarts in Auschwitz van 1943-1944. Mengele had de leiding over het selectieproces in het kamp en mocht kiezen wie mocht leven en wie moest sterven. In totaal joeg hij 400.000 mensen naar hun dood in de gaskamers. Hij was ook verantwoordelijk voor de afschuwelijke medische experimenten uitgevoerd op kampgevangenen, die de superioriteit moesten bewijzen van het arische ras, Mengele gebruikte mensen als proefkonijnen om hun weerstand te bestuderen en hun reactie op hitte, koude, sterilisatie en pijn. Hij was vooral geïnteresseerd in baby’s, jonge tweelingen en lilliputters.

Mengele werd geboren in Günzburg in Duitsland en behaalde een doctorsgraad in de filosofie alsmede een medische titel. In 1937 sloot hij zich aan bij de NSDAP en in 1938 bij de SS. Vanaf juni 1940 diende Mengele in het Medische Corps van de Waffen-SS. In mei 1943 werd hij gestationeerd in Auschwitz, waar hij werkte tot de evacuatie van het kamp in Januari 1945. Vervolgens vertrok hij naar Mauthausen en daarna verdween hij naar Zuid-Amerika. Ondanks vereende pogingen hem op te sporen, werd Mengele nooit gevonden. Mogelijk is hij in 1978 verdronken in Brazilië. In 1985 werd in Yad Vashem in zijn afwezigheid een openbare rechtzaak tegen hem gehouden.

Plaats waar massa-executies van Joden plaatsvonden in Kovno, Litouwen. In de negentiende eeuw was het Negende Fort onderdeel van een groep rond Kovno gebouwde forten. Er werden tijdens de Duitse bezetting van juni 1941 tot de zomer van 1944 meer dan 50.000 mensen gedood. Velen kwamen uit Kovno of waren uit Duitsland gedeporteerd. Het Negende Fort bevond zich op ongeveer zes kilometer van het centrum van Kovno en had tussen de twee wereldoorlogen als gevangenis gediend.

In de herfst van 1943 begonnen de Duitsers alle bewijzen van de massamoorden te vernietigen door de lijken te verbranden. Dit werd strikt geheim gehouden. De operatie werd uitgevoerd door het Sonderkommando in dienst van Aktion 1005. Vierendertig gevangenen uit het getto van Kovno die hadden geprobeerd te ontsnappen, 26 krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie en vier niet-Joden werden gedwongen aan de operatie deel te nemen.

De gevangenen van het Negende Fort werden streng bewaakt en na het werk geketend. Desondanks ontsnapten er 64 op 24 december 1943. Sommigen bereikten het getto van Kovno, vanwaar zij werden meegenomen om zich bij de partizanen aan te sluiten. Op die manier werden de gruweldaden, begaan door de Duitsers in het Negende Fort, al een jaar voor de oorlog eindigde bekend. Tegenwoordig is er een museum in het fort.

Rassenwetten, op 15 september 1935 afgekondigd door het Duitse parlement in Neurenberg. Deze wetten werden de wettelijke basis voor de racistische anti-Joodse politiek in Duitsland. De acht jaar erna werden nog dertien bijkomende verordeningen toegevoegd; deze hielden de eerste officiële definitie in van wie als Jood moest worden beschouwd en wie als ariër, en stootten de Joden systematisch uit het Duitse openbare leven. Joden met drie of vier Joodse grootouders werden beschouwd als volbloed-Joden.

De eerste van de twee Neurenberger Wetten werd de Rijks Burger Wet genoemd en bepaalde dat alleen ariërs burgers van het Rijk konden zijn. Daardoor werden de Joden van hun politieke rechten beroofd en werden zij gereduceerd van Reichsbürger (burgers van het Rijk, zoals de ariërs) tot Staatsangehörige(mensen zonder burgerrechten). De tweede wet, de Wet ter Berscherming van Duits bloed en Duitse eer, verbood huwelijken en seksuele relaties tussen Duitsers en Joden; het in dienst nemen van Duitse vrouwen onder de 45 jaar in Joodse huishoudens; en het voeren van de Duitse vlag door Joden. In de eerste anti-Joodse wetgeving werden nog uitzonderingen gemaakt voor Joodse veteranen van de Eerste Wereldoorlog die voor het uitbreken van de oorlog in 1914 voor de regering hadden gewerkt. De Wetten verklaarden deze uitzonderingen onwettig; Joodse oorlogshelden moesten net zo slecht behandeld worden als alle andere Duitse Joden.

In de zomer van 1935 waren dergelijke wetten dringend nodig geworden. De NSDAP had geen duidelijk beleid ten opzichte van de status van de Joden in Duitsland en partijleiders en rijksambtenaren verschilden met elkaar van mening over de Joodse kwestie. Er waren anti-Joodse rellen uitgebroken, de partij en de mensen eisten enige duidelijkheid en Hitler voelde zich gedwongen een antwoord te geven over deze zaak. De Neurenberger Wetten kalmeerden de nazi-functionarissen die gevraagd hadden om de strenge anti-Joodse uitlatingen in het partijprogramma.

De Neurenberger Wetten voorzagen niet alleen in een legale uitvoering van de wet door het uitsluiten van de Joden van de belangrijkste stroming van de Duitse cultuur, maar gaven de NSDAP ook een aannemelijke verklaring voor de antisemitische rellen en arrestaties die de afgelopen maanden hadden plaatsgevonden.

(Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei; Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiderspartij), Duitse politieke partij gesticht op 5 januari 1919. De NSDAP was een uitvloeisel van de Politieke Arbeiders Kring, en kleine, extreem antisemitische, rechtse groepering die voor het eerst bijeenkwam in november 1918. In 1919 ontwikkelde de kring zich tot de Duitse Arbeiderspartij; dit was de eerste keer dat de ideologie van het Nationaal-Socialisme werd gepropageerd door een erkende politieke partij. In datzelfde jaar werd Adolf Hitler lid van de partij.

Begin 1920 had de partij de naam veranderd in Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij; in 1921 werd Hitler de onbetwiste leider van de partij. In 1923 werd de partij verboden na een mislukte poging van Hitler om de Beierse regering over te nemen. In februari 1925 werd de partij weer tot leven geroepen.

De NSDAP was gebouwd op basis van het Führer-Principe, het leiderschapsprincipe. De kern van de partij was extreem antisemitisme en een racistische ideologie. Hitler was de Führer, de ultieme autoritaire partijleider. De partij werd bestuurd door 18 functionarissen van hoge rang en 32 regionale partijleiders; met de partij gelieerde organisaties waren de SA, de SS, de Hitlerjugend (jeugdbeweging) en arbeiders- en onderwijsvakbewegingen. In de jaren van het bestaan groeide de NSDAP uitbundig, van 6.000 leden in 1922 tot 8.5 miljoen in 1945.

Land in Centraal-Europa dat in 1918 onafhankelijkheid verkreeg na het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk.

Op 11 maart 1938 viel het Duitse leger Oostenrijk binnen en voegde het land bij het Duitse Rijk. Het meerendeel van de Oostenrijkse bevolking juichtte de annexatie, die de Anschluss werd genoemd, wat annexatie of vereniging betekent, toe. Hun enthausiasme voor de vereniging met het Rijk kwam ook tot uitdrukking in felle anti-Joodse protesten. Leden van de Oostenrijkse nazi partij zetten al spoedig het proces in gang van het uitsluiten van de Joden in het land van het Oostenrijkse economische, culturele en sociale leven.

Op 18 maart hadden de autoriteiten de kantoren van de Joodse gemeenschap en zionistische organisaties in Wenen gesloten en de medewerekers gevangen genomen. Tijden de eerste weken na de Anschluss werden Joden die een baan hadden bij theaters, wijkcentra, openbare bibliotheken en universiteiten ontslagen. In heel Oostenrijk werden Joden gearresteerd en opgesloten. De situatie voor de Joden was zelfs zo beroerd dat van februari op maart 1938 het aantal zelfmoorden onder Joden vertwintigvoudigde.

Al snel werd in Wenen een kantoor geopend om de inbeslagname van Joodse eigendommen te regelen. Eind juni werden alle Joden en alle niet-Joden die met een Jood waren getrouwd en die in de publieke sector werkzaam waren, ontslagen. Het directe doel van de Duitsers was de Joden aan te moedigen het land te verlaten. Senior SS-officier Adolf Eichmann had de leiding over de Joodse emigratie uit Oostenrijk. In augustus 1938 vestigde Eichmann het Centraal Departement voor Joodse Emigratie (Zentralstelle für jüdische Auswanderung) in het Rothschild – paleis, dat de nazi’s van de eigenaars hadden ingepikt.

Tijden de pogrom van de Kristallnacht in november 1938 werden overal in Duitsland en Oostenrijk Joden en Joodse winkels aangevallen. Veel synagogen werden ontheiligd en Joodse huizen vernield. Na de Kristallnacht hield Eichmann Oostenrijkse Joden gevangen in concentratiekampen van de nazi’s om ze voor geld te kunnen chanteren en hen te overtuigen het land te verlaten. Wanneer zo’n gevangene werd vrijgelaten kreeg hij beperkt de tijd het land te verlaten. Als hij na deze periode van respijt nog steeds in Oostenrijk was, werd hij opnieuw in de gevangenis gezet. De pogrom droeg ook bij aan de versnelling van de vernietiging van Oostenrijkse Joodse gemeenschappen. In mei 1939 waren 27 van de 33 Joodse gemeenschapsraden opgeheven.

Voor de oorlog begon slaagden 126.445 Joden erin uit Oostenrijk te ontsnappen; 58.000 Joden bleven achter. Van de resterende Joden konden er 2.000 voor oktober 1941 emigreren, toen de nazi’s de Joodse emigratie uit het Rijk stopten.

In oktober 1939 werden 1.584 Oostenrijkse Joden naar het district Lublin in Polen gedeporteerd, als onderdeel van een groot plan om alle Europese Joden in één gebied van Gouvernement-Generaal te verenigen. In februari en maart 1941 werden zo’n 5.000 Oostenrijkse Joden gedeporteerd naar Kielce in Polen; gedurende 1942 werden zij in Belzec en Chelmno vernietigd. In oktober 1941 gingen de nazi’s over tot massadeportaties van de Oostenrijkse Joden. Duizenden Joden werden naar Lodz gestuurd en naar getto’s in Baltische staten. Na de Wannee-conferentie in januari 1942, waarin stappen werden genomen om de moord op de Europese Joden beter te coördineren, werden de deportaties uit Oostenrijk versneld. Duizenden Joden werden naar Riga, Minsk en Lublin overgebracht. Tijdens de tweede helft van 1942 werden bijna 14.000 Joden naar het concentratiekamp Theresiënstadt gestuurd. De Joodse gemeenschap in Wenen was in november 1942 vernietigd, in Oostenrijk waren nog maar 7.000 – van wie de meesten met niet-Joden waren getrouwd. Iedereen die sterk genoeg was om te werken moest dwangarbeid verrichten. Op kleine schaal bleven de deportaties doorgaan in 1943; eind 1944 waren er nog slechts ongeveer 1.000 Joden over in Wenen. Alles bij elkaar, inclusief de Oostenrijkse Joden die naar landen waren gevlucht die later door de nazi’s werden bezet, stierven er meer dan 65.000 Oostenrijkse Joden in de getto’s en concentratiekampen in Oost-Europa. Na de oorlog werd Oostenrijk het centrum van de bericha-beweging.

Dwangarbeiderskamp in een buitenwijk van Krakow. Plaszow werd opgezet in de zomer van 1942; in januari 1944 werd het een concentratiekamp.

Plaszow bevond zich binnen de stadsgrenzen van Krakow, op een stuk land bestaande uit twee Joodse begraafplaatsen, ander grondgebied van de Joodse gemeenschap en een privé-terrein van Polen die uit hun huis waren gezet. Plaszow werd verdeeld in diverse secties; ruimte voor de Duitsers; fabrieken waarin de gevangenen moesten werken en verblijven voor de gevangenen, verdeeld in secties voor de mannen en de vrouwen en onderverdelingen voor Joden en Polen. In de loop der tijd werd het kamp uitgebreid; in totaal besloeg het 80 hectare. Het kamp was omgeven door onder stroom staand prikkeldraad met een lengte van 4 kilometer.

Va 13 op 14 maart hieven de Duitsers het getto van Krakow op. Ongeveer 2.000 Joden werden in de straten van Krakow vermoord en begraven in een massagraf in Plaszow. De meeste overgebleven Joden werden gedeporteerd naar Belzec en ongeveer 8.000 werden opgesloten in Plaszow.

In juli 1943 richtten de Duitsers een apart kamp in Plaszow in voor de Poolse gevangenen die gearresteerd waren wegens overtredingen op disciplinair of poltiek gebied. Volgens de Duitsers moesten deze gevangenen ‘opnieuw getraind worden door het werk’. In feite werden de gevangenen die wegens disciplinaire overtredingen waren gearresteerd slechts enkele maanden in het kamp gehouden en bleven de politieke gevangenen er voor onbepaalde tijd. In dit Poolse kamp zaten ook tientallen Zigeunerfamilies met hun kleine kinderen.

Het aantal gevangenen dat geïnterneerd was in Plaszow, steeg met de jaren; voor de opheffing van het getto van Krakow waren er 2.000 gevangenen en in de tweede helft van 1943 waren er al 12.000. In mei en juni 1944 was het aantal gevangenen gestegen tot 22.000-24.000, onder wie 6.000-8.000 Joden uit Hongarije. Het aantal Poolse gevangenen steeg ook, van 1.000 in het begin, tot 10.000 aan het eind van de zomer van 1944 Poolse opstand in Warschau.

Er werden ook gewone Duitse misdadigers in Plaszow gevangen gehouden; zij moesten verschillende werkzaamheden in het kamp verrichten. Van hen werden 25.000 beschouwd als permanente gevangenen, die een persoonlijk nummer kregen. Verder was er een onbekend aantal andere tijdelijke gevangenen.

Plaszow kende in de tweeënhalf jaar van zijn bestaan vijf kampcommandanten. Amon Göth, die commandant was van februari 1943 tot september 1944, werd beschouwd als de wreedste en meest onmenselijke van het stel. Hij stimuleerde selektionen, massamoorden en liet de gevangenen zich dood werken. Hij was ook persoonlijk verantwoordelijk voor de dood van vele gevangenen. Van 1942 tot 1944, toen Plaszow werd bestemd tot dwangarbeiderskamp, waren de meeste kampbewaarder Oekraïners die voor de nazi’s werkten. Toen Plaszow een concentratiekamp werd, traden 600 SS-ers van de doodshoofdtroepen aan. Na de komst van de SS-ers, toen de meeste gevangenen nog steeds dwangarbeid verrichten, werden vele Joden vermoord. Bovendien werden Polen die veroordeeld waren wegens het deelnemen aan Poolse patriottische activiteiten naar Plaszow overgebracht en doodgeschoten. In totaal werden ongeveer 8.000 mensen in Plaszow vermoord, ofwel als enkeling dan wel als groep. Zo’n 900 gevangenen werkten voor Oskar Schindler, in wiens fabrieken zij beschermd waren tegen de verschrikkingen van het kamp.

In de zomer van 1944 rukte het Sovjetleger op. De Duitsers begonnen met de ontmanteling van het kamp en stuurden de gevangenen naar andere kampen, onder andere naar vernietigingskampen. Ongeveer 2.000 Joden werden in mei 1944 naar Auschwitz overgebracht, waar zij de dood vonden. In september werd de Poolse sectie van Plaszow eveneens ontbonden. Vervolgens probeerden de Duitsers de bewijzen van de massamoord in het kamp te vernietigen: ze groeven de massagraven op, haalden de lijken eruit en verbrandden deze in hoge stapels. Op 14 januari 1945 werden de laatste gevangenen uit Plaszow weggehaald en naar Auschwitz gedeporteerd.

Land in Oost-Europa. Op 1 september viel Duitsland Polen aan waarmee de Tweede Wereldoorlog uitbrak. De geallieerden van Polen, Groot-Britannië en Frankrijk verklaarden Duitsland onmiddelijk de oorlog. Desondanks viel Polen binnen slechts enkele weken in Duitse handen. De hoofdstad Warschau capituleerde op 28 september.

Al snel werd een Poolse regering in ballingschap in Frankrijk geformeerd (toen Frankrijk midden 1940 verslagen werd door het Duitse leger, verhuisde de regering in ballingschap naar Londen). Deze regering, in Polen vertegenwoordigd door de ondergrondse delegatura en de Poolse Nationale Raad, bleef zich tegen Duitsland verzetten tot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

Volgens de voorwaarden van het nazi-Sovjet Pact, dat in augustus 1939 werd getekend, verdeelden Duitsland en de Sovjet-Unie het pas veroverde Polen met graagte: Duitsland annexeerde een derde deel van West-Polen, een gebied waarin 600.000 Joden woonden; de Sovjet-Unie annexeerde een derde deel in het Oosten en voegde het bij Wit-Rusland en de Oekraïne, en voegde 1,2 miljoen Joden aan zijn bevolking toe; en het middelste derde deel werd onder toezicht gebracht van een Duits burgerlijk bestuur dat het Gouvernement-General werd genoemd. Ongeveer 1,5 miljoen Joden bevonden zich onder de jurisdictie van het Gouvernement-General.

De nazi’s hadden een bedoeling met de Polen: het moest Lebensraum (leefruimte) worden voor de Duitsers. Om dat te doen moesten ze eerst de Poolse maatschappij en de bevolking vernietigen. Dus kregen ongeveer twee miljoen Polen met Duits bloed speciale voorrechten, terwijl de rest van de bevolking wreed werd onderdrukt. Vele Polen moesten vetrekken om plaats te maken voor etnische Duitsers (Volksdeutsche) en leiders van het Poolse volk en verzetslieden werden gedood, vaak in nazi-kampen. Er was een wijdvertakte verzetsbeweging in Polen, die de vorm had aangenomen van een ondergrondse staat. Er werd vanuit Polen contact gehouden met de Poolse regering in ballingschap in Londen. De twee grootste verzetsorganisaties in Polen waren het Leger in het Land en de volksgarde.

Het meest bepalende aspect van de geschiedenis van de Poolse Joden onder de nazi’s is het instellen van de Endlösung (de oplossing). De geschiedenis moet overal gezien worden als twee afgebakende perioden – die van voor en die van na het begin van de moordpartijen. Direct nadat de Duitsers Polen bezet hadden, werden de Joden in het land onderworpen aan een tweemaandelijkse uitbarsting van willekeurige slachtpartijen. Nadat Duitsland en de Sovjets Polen in stukken hadden gehakt, vluchtten zo’n 300.000 Joden uit het door Duitsland beheerste gebied naar het door de Sovjets bezette gebied, en lieten bijna een miljoen Joden achter in het door de Duitsers bezette deel.

De eerste serie offciële anti-Joodse maatregelen in Polen werden op 21 september 1939 uitgevaardigd door het hoofd van de Gestapo Reinhard Heydrich: hij eiste dat de Joden die in het door het Rijk geannexeerde gebieden woonden, werden uitgewezen naar het Gouvernement-General; dat zij geconcentreerd werden in grote steden in de buurt van belangrijke spoorwegknooppunten; en dat er Judenräte werden ingesteld. In de late herfst bepaalde de gouverneur van het Gouvernement-Generaal, Hans Frank dat in zijn jurisdictie alle Joden ouder dan tien jaar een witte armband met een blauwe davidsster moesten dragen. In oktober vaardigde hij een verordening uit dat alle Joodse mannen van een bepaalde leeftijd naar dwangarbeiderskampen konden worden gestuurd. Bovendien namen de nazi’s Joodse zaken in beslag en hieven die op, met uitzondering van kleine winkels. De Joden mochten slechts een klein beetje geld houden, zodat het erg moeilijk werd handel te drijven. In januari 1940 werd het de Joden verboden zonder een speciale vergunning met de trein te reizen, en zij moesten hun bezittingen bij de overheid laten registreren. Vele Joden werden aangevallen, willekeurig opgejaagd, gedwongen zwaar werk te doen en beroofd.

In oktober werd het eerste Poolse getto opgericht in Piotrkow Trybunalski. Het eerste grote getto, in de stad Lodz, werd opgezet in februari 1940 en in mei 1940 compleet van de buitenwereld afgesloten. Er kwamen getto’s in Warschau in november 1940, in Lublin en Krakau in maart 1941 en in het district Zaglembie nog in 1942 en 1943 nadat de massavernietiging was begonnen.

In sommige getto’s konden de Joden nog buiten de grenzen ervan komen, zodat ze voedsel en voorraden naar binnen konden smokkelen. Andere getto’s waren hermetisch afgesloten, zodat er niemand in of uit kon – waardoor de Joden blootgesteld waren aan uithongering en epidemieën. De Joden in alle getto’s waren echter vastbesloten te overleven. De Judenräte en Joodse gemeenschapsorganisaties deden hun uiterste best voedsel en medicijnen te krijgen en te verdelen onder de bevolking van het getto, te voorzien in een soort onderwijssysteem voor de kinderen en culturele activiteiten voor iedereen Zegota (de Poolse Raad voor Hulp aan de Joden), de Joodse Zelfhulp Organisatie, de jeugdbewegingen en de politieke ondergrondse deden allemaal hun best hun mede Joden te laten overleven, zowel fysiek als emotioneel.

In juni 1941 keerde Duitsland zich tegen zijn bondgenoot, de Sovjet-Unie, en begon een massale invasie. De Duitsers vestigden een nieuw territoriaal district, Bialystok, en gaven dat een status die overeenkwam met van de Poolse gebieden die eerder door het Rijk waren ingelijfd. Andere gebieden die Duitsland van de Sovjet-Unie had afgepakt kwamen onder het beheer van Reichkommisariat Ukraine en het Reichkommisariat Ostland. Duitse moordeskaders, Einsatzgruppen genaamd, begonnen onmiddelijk aan de massavernietiging van de Joden die in de pas veroverde gebieden woonden.

Enkele maanden nadat de slachting in de Sovjet-Unie was begonnen, lanceerden de Duitsers ook een campagne voor massamoord in Polen. Op 7 december 1941 werd het eerste van zes vernietigingskampen op Poolse bodem, Chelmno, opgezet. In de loop van de lente van 1942 onstonden nog drie andere vernietigingskampen – Sobibor, Belzec en Treblinka als onderdeel van Aktion Reinhard, het plan alle Joden in het Gouvernement-General te vernietigen. Bovendien werden de concentratiekampen Auschwitz en Majdanek uitgebreid om ook als vernietigingskamp te kunnen functioneren. De Joden die geïnterneerd waren in getto’s, werden toen naar deze kampen gestuurd, waar ze werden vermoord. De opheffing van de getto’s in het Gouvernement-General ging het hele jaar 1943 door en in de zomer was alleen het getto van Lodz overgebleven. De Duitsers doodden echter niet alle Joden meteen, want zij wilden de Joodse slavenarbeid uitbuiten voor de oorlogseconomie. Begin 1943 waren in het Gouvernement-General nog steeds zo’n 250.000 Joden aan het werk als slavenarbeiders. Maar het moorden ging door en aan het eind van 1944, toen het hoofd van de SS, Heinrich Himmler, het bevel gaf te stoppen met de moorden in Auschwitz, waren er nog slechts enige tienduizenden Joden overgebleven. Ongeveer negentig procent van de Poolse Joden, drie miljoen, werd vermoord door de nazi’s; ongeveer drie miljoen niet-Joodse Polen, soldaten en burgers verloren eveneens hun leven in de oorlog.

Locatie van massavernietigingen in Litouwen, op ongeveer tien kilometer van Vilna. Vanaf het begin van de zomer van 1941 tot juli 1944 werden hier 70.000 – 100.000 mensen vermoord, grotendeels Joden. In 1940 en 1941 liet de Sovjetregering grote kuilen graven in Ponar voor de opslag van olietanks, maar zij evacueerden het kamp voordat ze het project konden afmaken. Toen de Duitsers midden 1941 Litouwen bezetten, gebruikten zij de kuilen voor de massamoord op de Joden van Vilna en omgeving, voor krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie en andere vijanden van de nazi’s. De slachtoffers werden met honderdduizenden naar Ponar gebracht, te voet, in trucks en per trein. Vervolgens schoten de Duitse politie en Litouwse collaborateurs hen dood in de kuilen.

In het beginstadium van de vernietigingen in Ponar werden de slachtoffers begraven op de plek waar ze vielen. Maar in september 1943 begonnen de nazi’s met het opgraven en verbranden van de lijken, teneinde alle bewijzen van de massamoord uit te wissen. Ongeveer 80 Joodse gevangenen dwongen ze dat werk te doen. Op 15 april 1944 deden deze gevangenen een heldhaftige poging te ontsnappen . De meesten werden gedood, maar vijftien van hen slaagden erin naar de partizanen in de bossen van Rudninkai te vluchten.

Officiële titel gegeven aan niet-Joden die hun leven waagden om Joden te redden tijdens de holocaust. Het bergip komt uit een zinsnede uit de Talmoed: De rechtvaardigen onder de volkeren van de wereld hebben een plaats in de wereld die gaat komen.
In 1953 bekrachtigde het Israëlische parlement de Wet Martelaren- en Heldenherdenking (Yad Vashem), die Yad Vashem in Jerusalem de verantwoordelijkheid gaf onderscheidingen te geven en een monument op te richten voor deze rechtvaardigen onder de volkeren die hun leven waagden om Joden te redden. Sedert begin jaren zestig van de vorige eeuw heeft een Commissie voor de Benoeming van Rechtvaardigengewerkt onder de Yad Vashem Remembrance Authority. In de eerste jaren van zijn bestaan werd het comité voorgezeten door Moshe Landau, die later president werd van het Israëlische hooggerechtshof. Als de naam van een redder wordt voorgedragen, stelt het comité een zorgvuldig onderzoek in naar bewijzen van de daden en motivatie van de redder. De betrokken overlevende of groep van overlevenden moet getuigenis afleggen over de daden van de redder en het comité verzamelt ondersteunende documentatie van Europese instellingen over de loop van de gebeurtenissen in kwestie. De oorspronkelijke wet gaf zelf geen precieze definitie van het begrip Rechtvaardige onder de Volkeren. Zoals deze door de hele Joodse geschiedenis heen is gebruikt, wordt hiermee bedoeld een deugdzaam mens die empathie en mededogen heeft voor Joden in tijden van nood en vervolging en hun hulp biedt. Maar met bertekking tot de Wet Martelaren- en Heldenherdenking is het duidelijk dat een persoon heel bijzonder moet zijn geweest om de officiële titel Rechtvaardige onder de Volkeren te krijgen. Daarom probeert het comité ook de motiveringen van de voorgedragene voor het redden van Joden aan de weet te komen en worden vragen gesteld als: Kreeg de redder geld om Joden te helpen? Welke risico’s en gevaren stonden de redder te wachten? Hadden de redenen van de redder te maken met vriendschap, geloof, enzovoort? In het algemeen moest de persoon zijn of haar leven, veiligheid of persoonlijke vrijheid hebben geriskeerd om en Jood te redden van deportatie zonder daarvoor geld te hebben gevraagd.

In sommige gevallen is het gelopen hebben van risico of gevaar een moeilijke kwestie voor het comité, want er waren redders die diplomatieke onschendbaarheid genoten in de landen waar ze werkten en die kwamen dus niet in werkelijk levensbedreigende situaties terecht. Bijvoorbeld Aristides de Sousa Emdes, de Portugese consul in Frankrijk, die de Joden visa gaf voor zijn land, Sempo Sugihara, de Japanse consul in Kovno, die hetzelfde deed en Paul Grunninger, de Zwitserse chef van politie aan de de Oostenrijkse grens die honderden Joodse vluchtelingen toestond Zwitserland binnen te gaan, gehoorzaamden niet aan de officiële instructies van hun regeringen die anderen luidden. Maar zij hadden alleen een diplomatieke status en daardoor waren zij niet in gevaar. Maar zij verloren soms wel hun baan of reputatie en ondervonden nadeel van hun humane activiteiten, dus besloot het comité hun de eer te geven. Raoul Wallenberg, de Zweedse diplomaat die tienduizende Hongaarse Joden redde, genoot ook diplomatieke onschendbaarheid, maar dat kon niet voorkomen dat hij na de bevrijding van Boedapest door de Sovjets werd gearresteerd. In vele gevallen waren het geen diplomaten, maar gewone mensen die in de holocaust de levens van Joden redden . Zij kozen er ondanks alle gevaar voor een of meer Joden te verbergen in huis of tuin. Vaak bouwde de redder een schuilplaats voor de Jood, die daar weken, maanden of zelfs jaren in kon verblijven, bijna zonder ooit de zon te zien. Voedsel was schaars in de oorlog en de redder deelde het weinige dat hij had met de Joden die hij voor de nazi’s verborgen hield.

Er zijn ook gevallen van groepen mensen, in plaats van individuen, die Joden in veiligheid brachten. In Nederland, België en Frankrijk hielpen ondergrondse verzetsgroepen de Joden, vooral door schuilplaatsen voor ze te vinden. Een zeer speciale groep mensen woonde in het kleine Nederlandse dorp Nieuwlande. In 1942 en 1943 spraken de dorpelingen met elkaar af dat elk huishouden een Joods gezin of enkeling zou verbergen. Alle 117 inwoners van Nieuwlande werden benoemd tot Rechtvaardigen onder de Volkeren. Een ander voorbeeld van redding door een groep was het Franse dorp Le Chambon-Sur-Lignon. De pastoor van het dorp, André Trocme, haalde zijn parochieleden ertoe over schuilplaatsen en hulp te verschaffen aan Joden die op de vlucht waren voor de nazi’s. In Denemarken brachten gewone Denen 7.200 van de 8.000 Joden van het land door een gewaagde overtocht met vissersboten in veligheid in Zweden.

Nog een paar bekende gevallen van reddingsoperaties uitgevoerd door Europeanen tijdens de holocaust zij die van Oskar Schindler, de Duitse zakenman die vele honderden Joden van het Plaszow-kamp redde door ze in zijn fabriek te laten werken en van Miep Gies, een van de niet-Joden die het gezin van Anne Frank hielp toen de gezinsleden en nog enige anderen zich verborgen hielden in de ‘geheime achterkamer’.

Het is niet duidelijk hoeveel Joden in de holocaust zijn gered door niet-Joden. Sommige Joden die door een niet-Jood waren geholpen, stierven later in de oorlog en dus is er niemand om getuigenis af te leggen of zelfs maar de naam van de redder aan het comité door te geven. Soms stierf de redder zelf samen met de Joden die hij had gered. In andere gevallen kozen de redders er zelfs voor na de oorlog anoniem te blijven – ze hadden gedaan wat hun geweten hun ingaf, terwijl miljoenen andere Europeanen niets deden. In 2000 hadden meer dan 17.000 mannen en vrouwen de eer en de titel ontvangen. Tot halverwege de jaren negentig werden voor vele Rechtvaardigen onder de Volkeren bomen geplant om hun daden te herdenken. In 1996 werd een speciale herdenkingstuin gesticht, waar de namen te vinden zijn van alle ontvangers van de onderscheiding en waar nog steeds nieuwe namen worden bijgeschreven.

De vele voorbeelden van reddingen verricht door hen die de eretitel Rechtvaardige onder de Volkeren hebben ontvangen, laten zien dat redding inderdaad mogelijk was, ondanks de gevaarlijke omstandigheden. De ontvangers van de onderscheiding, redden niet alleen Joodse levens, maar helpen de overlevenden het vertouwen in de mensheid te herstellen.

Joods historicus en stichter en directeur van het geheime Oneg Sjabbat – Archief in het getto van Warschau.

Ringelblum werd geboren in Buczacz, Polen (nu Oekraïne). In 1927 behaalde hij de doctorstitel geschiedenis aan de Universiteit van Warschau. Al jong hoorde Ringelblum bij de linkse Poale Zion en was hij actief in publieke zaken. Hij gaf enige tijd les aan een middelbare school en aanvaardde toen een baan bij het Joint Distribution Committee in Polen. In november 1938 stuurde het JDC hem naar de grensstad Zbaszyn, waar 6.000 Joodse vluchtelingen uit Duitsland verzameld waren. Deze mensen waren Duitsland uitgezet, maar mochten Polen niet in. Ringelblum bracht vijf weken in Zbaszyn door als degene die de leiding had over de vluchtelingen; zijn ervaringen daar maakten een diepe indruk op hem.

Nadat de Duitsers in september 1939 Polen waren binnengevallen, ging Ringelblum door met zijn werk voor het JDC. Hij leidde welzijnsprogramma’s en richtte gaarkeukens op voor de Joden in het getto van Warschau. Hij installeerde interne comités om de ontberingen in het getto aan te pakken. Samen met zijn vriend Menahem Linder, stichtte Ringelblum ook een vereniging ter bevordering van de Jiddisje cultuur (Jiddisje Kultur Organisatsye) in het getto.

Al in 1923 hadden verscheidene Joodse historici in Polen een historische vereniging gevormd, waarvan Ringelblum een van de leiders en meest prominente geleerden was. De groep werd later samengevoegd met het Instituut voor Joods Onderzoek (Jiddisje Visenshaftlikher Institut, YIVO). Ringelblum was een van de redacteuren van de publicaties van de vereniging en in 1939 had hij zelf 126 wetenschappelijke artikelen gepubliceerd. Zijn prestaties in die groep waren slechts een voorproefje van wat hij zou bereiken in het getto van Warschau.

In de eerste paar maanden van de oorlog lanceerde Ringelblum zijn grootste kunststuk: het geheime Oneg Sjabbat Archief. De naam betekent Sabbat Plezier en slaat gewoonlijk op de culturele samenkomsten die plaatsvinden op de sabbat. Het archief van Ringelblum had dus een toepasselijke naam, want de leden ontmoetten elkaar in het geheim op zaterdagmiddagen. In het begin verzamelden de archivarissen rapporten en getuigenissen van Joden die naar het getto waren gekomen om hulp te zoeken bij zelfhulporganisaties. Ringelblum verzamelde de gegevens overdag en maakte ’s nachts zijn aantekeningen. Hij wist dat wat er met de Joden gebeurde ongehoord was en hij was vastbesloten een complete beschrijving vast te leggen van de tijd en plaats voor toekomstige historici. Hij en zijn collega’s verzamelden gegevens en schreven artikelen over steden, dorpen, het getto en de verzetsbeweging. Zij documenteerden ook de deportatie en vernietiging van het Poolse Jodendom. Toen het bestaan van het getto ten einde liep, stuurden de archivarissen elk een stukje informatie over de moorden naar de Poolse ondergrondse, die de gegevens vervolgens het land uit smokkelden. Zo hielp Ringelblum de gruweldaden van de nazi’s te onthullen.

De Oneg Sjabbat gegevens werden bewaard in drie melkbussen. Een van de bussen werd ontdekt in 1946 en een tweede in 1950; de derde is nog niet terugggevonden. De archief materialen en Ringelblum’s eigen geschreven kronieken vormen de meest uitvoerige en meest waardevolle bron van informatie die we hebben over de Joden in het door de Duitsers bezette Polen en over de betekenis van de gebeurtenissen die daar hebben plaatsgevonden.

In maart 1943 ontsnapten Ringelblum en zijn gezin uit het getto en doken onder in het niet-Joodse deel van Warschau. Op Pasen dat jaar keerde hij terug naar het getto, waar net een opstand was uitgebroken. Hij werd gedeporteerd naar het werkkamp Trawniki, maar ontsnapte met behulp van een Poolse man en een Joodse vrouw. Hij dook weer onder bij zijn gezin, maar in maart 1944 werd hun schuilplaats ontdekt. Spoedig daarna werden Ringelblum, zijn gezin en de andere Joden met wie hij ondergedoken was naar de ruïnes van het getto gebracht en doodgeschoten.

(1877 – 1944) Voorzitter van de Judenrat in het getto van Lodz in Polen. Rumkowski was vroeger een weinig succesvolle zakenman en directeur van een weeshuis en werd op 13 oktober 1939 benoemd tot voorzitter van de Judenrat, kort na de Duitse invasie van Polen, die het begin was van de Tweede Wereldoorlog.

Net als alle leiders van een Judenrat werd Rumkowski verscheurd tussen het helpen overleven van zijn mensen en het toegeven aan de eisen van de Duitse autoriteiten. Rumkowski wordt evenwel beschouwd als een van de meest omstreden leiders van alle Judenräte, voor wat betreft zijn veelvuldige samenwerking met de Duitsers en zijn dictatoriale behandeling van de Joden in zijn getto.

Rumkowski bracht rechtstreeks rapport uit aan het Duitse bestuur van het getto, waarvan Hans Biebow het hoofd was. Hij was geheel verantwoordelijk voor het dagelijks leven in het getto: hij moest zorgen voor voedsel, onderdak, verwarming, werk, alsmede gezondheids- en welzijnszorg voor de lijdende bevolking van het getto. Rumkowski had het toezicht over alle aspecten van het getto, zelfs over het culturele leven. Toen de rabbi’s hun werk niet mochten doen, verrichtte hij zelf de huwelijksplechtigheden. Zijn foto verscheen zelfs op het gettogeld. Rumkowski werd ook belast met het opzetten in het getto van fabrieken voor de Duitsers. Hij richtte er 120 op, waar hij duizenden Joden uit het getto aan het werk kon zetten. Rumkowski geloofde dat als hij productief en belangrijk arbeidspotentieel kon bieden, de nazi’s het getto niet zouden vernietigen.

Rumkowski geloofde ook dat hij om het getto als geheel te kunnen redden, samen moest werken met de nazi’s en toe moest geven aan hun eisen voor deportatie. Eind 1941 was in Chelmno een vernietigingskamp opgezet en de Duitsers dwongen Rumkowski de deportatie te regelen van een deel van de gettobevolking. In het begin probeerde Rumkowski de Duitsers ertoe te brengen het aantal te deporteren Joden terug te brengen. Maar de Duitsers weigerden en maakten Rumkowski verantwoordelijk voor het aanwijzen van degenen die gedeporteerd moesten worden. In de eerste vijf maanden van 1942 werden 55.000 Joden uit Lodz naar Chelmno gestuurd, waar zij de dood vonden.

In de tweede week van september 1942 vond nog een deportatie plaats. De nazi’s eisten dat Rumkowski alle kinderen en oude mensen uitleverde. Hij gaf gehoord aan hun eis en vroeg de gezinnen zelf rustig hun eigen kinderen op te geven. Twintigduizend Joden werden bruut samengedreven en naar Chelmno gestuurd. Enige tijd lang waren er geen deportaties en dat gaf Rumkowski te denken dat het bewaren van de vrede en het werken voor de Duitsers zou helpen verdere deportaties te voorkomen. In feite werd in die periode het getto van Lodz met rust gelaten, maar werden andere getto’s in heel Polen verwoest.

Aan het eind van het voorjaar 1944 echter naderde het Sovjetleger Lodz. Toen besloten de Duitsers een eind te maken aan het getto van Lodz. Rumkowski kreeg de opdracht de deportatie te regelen. Van 23 juni tot 14 juli 1944 werden ongeveer 7.000 Joden naar Chelmno gestuurd. De Joden van Lodz boden passief verzet tegen de deportatie, waardoor de nazi’s besloten het getto direct te vernietigen, waarbij de SS en Duitse politie-eenheden de evacuatie uitvoerden. De Duitsers sloten de fabrieken in het getto en beëindigden alle door de Judenrat geleide instellingen. Ook veranderden zij de plaats van bestemming van de Joden van Chelmno naar Auschwitz. Rumkowski adviseerde de Joden zich rustig te melden voor de deportatie, maar zij negeerden zijn advies. In de tweede helft van juli en in augustus beëindigden de Duitsers de ontruiming van het getto en zonden de Joden de dood in. Slechts enkele honderden Joden slaagden erin onder te duiken.

Rumkowski en zijn gezin werd niet gespaard – zij werden op 30 augustus 1944 gedeporteerd naar Auschwitz en daar gedood. Op 19 januari 1945 werd Lodz bevrijd door het Sovjetleger.

Sommige historici beschouwen Rumkowski als collaborateur en verrader. Anderen zijn van mening dat hij een serieuze, maar gebrekkige poging heeft gedaan zo veel mogelijk Joden te redden.

(Schutzstaffel, Beschermings Eenheid) Eliteorganisatie in het Derde Rijk die verantwoordelijk was voor deEndlösung en andere terreurdaden en vernietiging.

De SS was oorspronkelijk opgericht in maart 1923 als Adolf Hitler’s persoonlijke bodyguard korps. Het was een exclusieve vechtgroep die wedijverde met de macht met de andere militie van de NSDAP, de Storm Afdeling (SA). Van SS-leden werd verwacht dat ze zich aan een strikte militaire discipline hielden en dat ze volledig trouw waren aan Hitler en de nazi’s.

In januari 1929 werd nazi-leider Heinrich Himmler het nationale hoofd van de SS of rijksleider van de SS. Onder zijn leiderschap groeide de SS enorm in omvang en sterkte. Tegen de tijd dat Hitler de nationale macht kreeg in Duitsland in 1933 had Himmler van de SS de machtigste organisatie in het Reich gemaakt. Hij creëerde vele nieuwe departementen in de SS-organisatie zoals een inlichtingendienst genaamd de Sicherheitsdienst (SD), die hij onder de leding van Reinhard Heydrich plaatste, en het Rasse- und Siedlungshauptamt dat de leiding had bij alle raciale zuiveringen. Himmler regelde ook de veiligheid van het hoofdkantoor van de NSDAP en de leiders.

Himmler transformeerde de SS in de meest elitaire groep in het Reich. Om een SS-officier te worden moest men zijn raszuiverheid bewijzen en ook van zijn vrouw helemaal terug tot in de achttiende eeuw, men moest er volkomen arisch uitzien en men moet totale trouw aan Hitler zweren. SS-leden droegen een uniform dat hen er onverschrokken uit deed zien, een zwart uniform, een zwarte pet, een doodshoofdbadge, een doodshoofd ‘ere-ring’ en een officiersdolk waarin gegraveerd stond: Trouw is Mijn Eer. In 1934 concentreerde Himmler de macht van de SS. Hij doodde de oorspronkelijke leiders van de SA, voegde de militia onder het SS-commando en nam de leding over de Gestapo (de geheime politie) en alle concentratiekampen in Duitsland over. Hij gaf Theodor Eicke, hoofd van de SS-bewaking en de Doodshoofdtroepen het gezag over de kampen. De Doodshoofd troepen waren de bron van van de militaire SS-afdelingen die later bekend werden als de Waffen-SS. Himmler ontwikkelde ook een strategie om belangrijke Duitsers bij de SS te krijgen als eervolle leiders en om politieofficieren van lager niveau aan te nemen.

In de volgende jaren richtte Himmler scholen op voor jonge officieren en speciale SS-politie-eenheden, bekend als de Einsatzgruppen. In 1939 richtte hij speciale SS-rechtbanken op zodat de SS zich niet meer aan de Duitse wet hoefde te houden.
Nadat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken in september 1939 groeide de SS enorm. SD afdelingen, Einsatzgruppen, en lokale SS-diensten voerden het anti-Joodse beleid van het Reich uit door heel Europa. Het Hoofdbureau Rijksveiligheid (Reichssicherheitshauptamt, RSHA) werd al snel opgericht, dit zorgde voor de interne veiligheid binnen het Reich, doodde vijanden van de nazi’s en stuurde gevangenen naar concentratiekampen.

SS-officieren voerden het beheer over de organisatie van de Endlösung, het vernietigen van het Europese Jodendom. Toen Duitsland de Sovjet-Unie binnenviel in juni 1941, leidden de mobiele moordeenheden van de Einsatzgruppen de executie van honderdduizenden Joden.

De expert van Joodse zaken van de RSHA, Adolf Eichmann, organiseerde en hield toezicht op de deportatie van Joden uit hun huizen naar getto’s en dan verder tot hun dood in concentratie- of vernietigingskampen. SS-officieren waren ook direct verantwoordelijk voor het beheer van die kampen, waar miljoenen Joden werden vermoord met giftig gas. Uiteindelijk bestond de SS uit miljoenen soldaten en officieren.

Na de oorlog werd de SS tot criminele organisatie verklaard door het Internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Leden van alle onderdelen waaronder de Gestapo, de SD, de Doodshoofdtropen, de Waffen-SS en anderen werden als misdadigers berecht. Sommigen kregen de doodstraf, anderen gingen levenslang de gevangenis in maar velen werden vrijgelaten.

Japanse consul in Kovno, Litouwen, die Joodse vluchtelingen redde tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Herfst 1939 werd Sugihara consul in Kovno vlak nadat Duitsland was binnengevallen in Polen en het had verslagen. Duizenden Joden vluchtten naar Litouwen dat op dat moment nog een onafhankelijke staat was. In juni 1940 nam de Sovjet-Unie de macht in Litouwen over zodat vele vluchtelingen een manier moesten zoeken om weg te komen.

Begin augustus 1940, een paar weken voordat alle buitenlandse diplomaten het land moesten verlaten, werd Sugihara benaderd door dr. Zorah Warhaftig, de directeur van het Palestina Kantoor van het Joods Bureau in Kovno. Warhaftig legde een ontsnappingsplan aan Sugihara voor waarbij Joodse vluchtelingen naar Curacao zouden reizen, een Caraïbisch eiland onder Nederlands regime waar men geen visum voor nodig had. Om naar Curaçao te komen moesten de vluchtelingen door de Sovjet-Unie en Japan reizen. Dus vroeg Warhaftig aan Sugihara om de benodigde visa te regelen zodat ze door Japan konden reizen. De Sovjetautoriteiten hadden al toestemming gegeven om door de Sovjet-Unie te reizen als ze de visa voor Japan konden regelen. Japan, dat een Duitse bondgenoot was, weigerde toestemming te geven voor het plan. Maar in een vreemde en uitzonderlijke verzetsdaad, besloot Sugihara tegen de wil van zijn regering in te gaan en begon visa te verstrekken. Gedurende de volgende weken deelde hij zo’n 1.600 visa uit en redde daar daar evenzovele levens mee. De meest beroemde vluchtelingen die gebruik maakten van Sugihara’s visa waren rabbijnen in opleiding van de MIR-jesjiva die door Japan reisden naar Sjanghai in China waar ze de rest van de oorlog veilig verbleven.

Eind augustus werd Sugihara Litouwen uitgezet en overgeplaatst naar een ander Japans consulaat. Toen hij terugkeerde naar Japan in 1947 moest hij Buitenlandse Zaken verlaten vanwege zijn daad van ongehoorzaamheid in 1940. In 1984 werd Sugihara onderscheiden als Rechtvaardige onder de Volkeren door Yad Vashem.

Nazi-kampen gelegen in bezet Polen, waarvan het enige doel was de Joden die daarheen werden gebracht te vermoorden. In totaal werden ongeveer 3,5 miljoen Joden in de vernietigingskampen vermoord als onderdeel van de Endlösung.

De nazi’s begonnen met de systematische massamoord op de Joden toen zij in juni 1941 de Sovjet-Unie waren binnengevallen. In het begin werden honderdduizenden Joden doodgeschoten door Einsatzgruppen en andere eenheden. Maar deze methode bleek al gauw te omslachtig te zijn en de nazi’s probeerden andere moordmethoden te vinden. Spoedig begonnen zij in Auschwitz en andere kampen te experimenteren met gas. Toen deze experimenten gas aanwezen als een doeltreffende techniek, bevalen de nazi’s het herinrichten van vernietigingskampen waar gas kon worden gebruikt. Deze vernietigingskampen werden gebouwd in het door Duitsland in 1939 bezette gedeelte van Polen. Dat waren die in Auschwitz-Birkenau (Auschwitz II), Chelmno, Belzec, Sobibor en Treblinka. Sommige deskundigen rekenen ook Majdanek daaronder, met zijn 360.000 slachtoffers, omdat enige tijd lang de Joden die daar aankwamen net als in Auschwitz werden onderworpen aan selecties. Chelmno was het eerste vernietigingskamp dat werd opgezet. Het was gelegen in de buurt van Lodz en werd op 8 december 1941 in gebruik genomen. In de zomer van 1944 werd het ontmanteld. De slachtoffers werden gedood in gasvrachtwagens; ongeveer 320.000 mensen werden daar vermoord.

Auschwitz was zowel een concentratiekamp als een vernietigingskamp. Het gedeelte waar de mensen werden omgebracht bevond zich in Birkenau. Het werd opgezet in maart 1942 en gesloten in november 1944. Ongeveer een miljoen Joden werden vermoord in de gaskamers van het kamp, waarin zyklon B werd gebruikt. Bovendien werden er tienduizenden Zigeuners en krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie omgebracht.

Belzec, Sobibor en Treblinka werden in 1942 opgezet in het kader van de Aktion Reinhard. Belzec was in werking van maart tot december 1942, gedurende welke tijd 600.000 Joden daar de dood vonden; Sobibor was in bedrijf van april 1942 tot oktober 1943, in welke tijd 250.000 gevangenen de dood vonden. Treblinka was in werking van juli 1942 tot augustus 1943, en in die periode werden 870.000 mensen vermoord. Degenen die in deze kampen omkwamen stierven door verstikking met koolmonoxide.

Georganiseerd of onvoorbereid verzet tegen de nazi’s en hun handlangers door de Joden. Tijdens de holocaust nam het Joodse verzet vele vormen aan. In sommige gevallen was het verzet georganiseerd en duidelijk, zoals de gewapende strijd in getto’s, kampen en door partizanengroepen. In andere gevallen verzetten individuelen zich op allerlei manieren tegen het plan van de nazi’s om de Joden te ontmenselijken, bijvoorbeeld door zich schoon te houden in de zeer onhygiënische omstandigheden in de concentratiekampen of door te blijven bidden, ondanks de dreiging te worden neergeschoten indien dat werd ontdekt. In alle gevallen van verzet vochten de Joden een onwaarschijnlijk ongelijke strijd en het feit dat er zelfs maar verzet werd gepleegd is heldhaftig te noemen. Na de holocaust vroegen velen zich af hoe de Joden zich hadden kunnen laten vernietigen en waarom er zo weinig verzet was gepleegd. In feite is er echter veel gewapend en ander verzet geweest. Binnen de getto’s en in de kampen was er veel ongewapend verzet tegen de nazi’s en was het een onderdeel van het dagelijks bestaan. Joden verzetten zich tegen de ondraaglijke economische en sociale beperkingen van de nazi’s om te kunnen overleven; Zij smokkelden voedsel, kleding en medicijnen de getto’s en de kampen in om hun lichaamskracht te bewaren en richtten Joodse kranten, scholen, theaters en orkesten op om hun geestelijke en mentale kracht te behouden. De culturele activiteiten in de getto’s en de kampen en de onderlinge betrekkingen, hielpen de Joden hun waardigheid te behouden, ondanks de systematische pogingen van de nazi’s om hen te ontmenselijken; deze aspecten hielpen ook om hun moreel hoog te houden in het aanzicht van onzekerheid en dood. De Joden noemden deze pogingen om hun menselijkheid te bewaren Kiddoesj Hachajim, wat heiliging van leven betekent.

Het Joodse verzet kende ook reddings- en partizanenactiviteiten. Hierbij waren acties die door de Joden zelf waren georganiseerd en uitgevoerd, maar ook in samenwerking met niet-Joden. In Frankrijk en België hadden kinderen de speciale aandacht bij deze reddingsacties en helden als Yvonne Nevejean redden vele kinderen door hen onder te brengen in pleeggezinnen of inrichtingen. In Polen verborg de Raad voor Hulp aan Joden (Zegota) duizenden Joodse kinderen in pleeggezinnen, weeshuizen en kloosters. In Oost-Europa pleegden vele Joden verzet door zich aan te sluiten bij de partizanen en in West-Europa waren velen actief in de Franse en Belgische ondergrondse.

Individuelen en groepen verzetten zich fysiek tegen de nazi’s door naar veiligere gebieden te ontsnappen. Meer dan 300.000 Poolse Joden vluchtten naar de Sovjet-Unie toen de nazi’s in de buurt van hun woonplaatsen kwamen en tienduizenden uit het westen van de Sovjet-Unie vluchtten oostwaarts. Duizenden Joden slaagden erin te ontsnappen uit het getto van Warschau en gingen naar de Poolse kant van de stad; zij behoorden tot de velen die in heel Polen ondergedoken zaten. Duizenden ontsnapten uit Slowakije en vluchtten naar Hongarije toen in Slowakije de deportaties begonnen.

Doorgangskamp gelegen in het noordoosten van Nederland. De meeste Nederlandse Joden gingen via dit kamp op weg naar de nazi-vernietigingskampen in Oost-Europa. Westerbork werd oorspronkelijk in oktober 1939 opgericht door de Nederlandse regering om de Duits Joodse vluchtelingen onder te brengen die illegaal Nederland waren binnengekomen.

Eind 1941 besloten de Duitsers om Westerbork te gebruiken als een van de drie doorgangskampen in West-Europa waar Joden werden verzameld voor deportatie. De nazi’s namen de leiding van het kamp over op 1 juli 1942. De eerste Joden arriveerden op 14 juli 1942 en de eerste deportatie vertrok de volgende dag naar Auschwitz. In totaal werden er bijna 100.000 Joden gedeporteerd uit Westerbork naar de nazi-vernietigingskampen en concentratiekampen, waaronder Auschwitz, Sobibor, Bergen-Belsen en het getto van Theresienstadt. Niet alle Joden die naar Westerbork werden gebracht werden automatisch gedeporteerd. Terwijl de meeste Joden een week of twee na aankomst in het kamp werden doorgestuurd. Waren er ook een paar ‘permanente’ bewoners die moesten werken in het kamp als metaalbewerkers, buitenwerkers en als hulpen voor de kampleiding.

Westerbork werd midden april 1945 door de geallieerden bevrijd. Op dat moment waren er nog 876 gevangenen in het kamp van wie 569 Nederlandse burgers.