Friends  |  Press Room  |  Contact Us

The International School for Holocaust Studies

Beknopte encyclopedie van de Holocaust

Hongarije

Land in Midden-Europa. Nadat Adolf Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, raakte de Hongaarse regering geïnteresseerd in het sluiten van een verdrag met nazi-Duitsland. De Hongaren dachten dat zo’n alliantie goed voor hen zou zijn, aangezien de twee regeringen overeenkomende autoritaire ideologieën koesterden en omdat de Duitsers hen zouden kunnen helpen het land terug te krijgen dat zijn in de Eerste Wereldoorlog waren kwijtgeraakt. De vijf jaar daarop sloot Hongarije zich steeds meer bij Duitsland aan. De conferentie van München van september 1938 gaf Duitsland toestemming het Sudetengebied dat aan Tsjecho-Slowakije behoorde te annexeren. In november hakte Duitsland een gedeelte van Tsjecho-Slowakije af – een deel dat vroeger aan Hongarije had behoord – en gaf dit terug aan Hongarije om de betrekkingen tussen de twee landen te verstevigen. In augustus 1940 gaf Duitsland ook Noord-Transylvanië aan Hongarije. In oktober 1940 sloot Hongarije zich aan bij Duitsland, Italië en Japan, de zogenaamde As-mogendheden. In maart 1941 kreeg Hongarije nog meer land toegewezen, toen het zich ondanks de alliantie met de Joegoslavische regering aansloot bij zijn nieuwe bondgenoot, Duitsland, voor de inval in en verdeling van Joegoslavië. Inmiddels was het door al die nieuwe gebieden de Joodse bevolking in Groot Hongarije gegroeid tot 725.007, exclusief ongeveer 100.000 Joden die zich hadden bekeerd tot het Christendom, maar naar ras werden beschouwd als Joden.
Hongarije begon spoedig na de Anschluss, de annexatie van Oostenrijk door Duitsland in maart 1938, met het uitvaardigen van een anti-Joodse wetgeving. Er werd een wet aangenomen die de Joodse deelname aan de economie en de beroepsuitoefening met 80 procent verminderde. In mei 1939 werden er nog meer beperkingen voor Joden op economische gebied opgelegd en werden de Joden onderscheiden als een ras in plaats van een religieuze groepering. In 1939 ontwierp Hongarije een nieuw soort arbeidsdienstplicht, die Joodse mannen in dienstplichtige leeftijd dwong toe te treden. Later zouden vele Joodse mannen in dit kader omkomen. In 1941 nam de Hongaarse regering een rassenwet aan die overeenkwam met de Neurenberger Wetten. Die officieel vaststelde wie wel of niet als Jood moest worden beschouwd.
Ondanks de moeilijkheden veroorzaakt door deze anti-Joodse wetten, leefden de meeste Hongaarse Joden het grootste deel van de oorlog in betrekkelijke veiligheid. Maar er was een groep Hongaarse Joden die in de zomer van 1941 slachtoffer werd van een tragedie; zo’n 18.000 Joden werden in het wilde weg door de Hongaarse autoriteiten als Joodse buitenlanders bestempeld, hun huizen uitgezet en gedeporteerd naar Kamenets-Podolski in de Oekraïne, waar de meesten in koele bloede werden vermoord. Nog eens 1.000 Joden uit een pas door Hongarije verworven gedeelte van Joegoslavië werden begin 1942 door Hongaarse soldaten en politie vermoord als gevolg van hun ‘vervolging van Partizanen’.
Gelijktijdig met de aanname van de anti-Joodse wetten raakten de Hongaarse autoriteiten steeds meer verwikkeld in hun alliantie met Duitsland. In juni 1941 besloot Hongarije zich bij Duitsland aan te sluiten in hun oorlog tegen de Sovjet-Unie. In december 1941 sloot Hongarije zich ten slotte aan bij de As-mogendheden en verklaarde de Verenigde Staten de oorlog, waarmee het land alle banden met het westen verbrak. Maar na de nederlaag van Duitsland in Stalingrad en andere veldslagen, waarin Hongarije tienduizenden soldaten verloor, probeerde de regent van Hongarije, Miklos Horthy zich van de alliantie met Duitsland los te maken.
Deze manoeuvre was onaanvaardbaar voor Hitler en in maart 1944 vielen Duitse troepen Hongarije binnen teneinde de trouw van het land met geweld te verzekeren. Hitler vormde meteen een nieuwe regering die hij dacht te kunnen vertrouwen, met Dome Sztojay, de vroegere Hongaarse ambassadeur van Duitsland, als minister-president. Het bezettingsleger werd vergezeld van een Sonderkommando, aangevoerd door Adolf Eichmann, die de taak had binnen Hongarije de Endlösung ten uitvoer te brengen.
Er werden met de grootste spoed anti-Joodse decreten uitgevaardigd. In heel Hongarije werden Judenräte opricht met een centrale Judenrat, de Zsido Tanacs, in Boedapest onder leiding van Samu Stern.
De Duitsers isoleerden de Joden van de rest van de wereld door hen in hun bewegingsvrijheid te beperken en hun telefoons en radio’s te confisqueren. De Joden moesten de Jodenster dragen om hen beter herkenbaar te maken, Joodse eigendommen en zaken werden in beslag genomen en van midden tot eind april werden de Hongaarse Joden gedwongen naar getto’s te verhuizen. Hun verblijf in de getto’s duurde maar kort. Na twee tot zes weken werden de Joden uit elk getto op de trein gezet en gedeporteerd. Tussen 15 mei en 9 juli werden ongeveer 430.000 Hongaarse Joden gedeporteerd, voor het grootste deel naar Auschwitz, waar de helft van hen direct na aankomst werd vergast. Begin juli maakte Horthy, die nog steeds van plan was de banden van Hongarije met Duitsland te verbreken, een eind aan de deportaties. Inmiddels was heel Hongarije Judenfrei, behalve de hoofdstad Boedapest. In het voorjaar van 1944 begonnen Israël Kasztner, Joel Brand en andere leden van het Hulp-en reddingscomité van Boedapest onderhandelingen met de SS om levens te sparen. Veel Joden (mogelijk zo’n 8.000) ontvluchtten Hongarije, de meesten naar Roemenië, velen met hulp van leden van de zionistische jeugdbeweging.
Van juli tot oktober leefden de Joden van Boedapest in betrekkelijke veiligheid. Op 15 oktober kondigde Horthy echter in het openbaar aan dat hij de alliantie van Hongarije met Duitsland verbrak en hij vrede zou gaan sluiten met de geallieerden. De Duitsers staken daar een stokje voor en brachten eenvoudigweg Horthy’s regering ten val, waarna de macht overging op Frenc Szalasi en zijn fascisten, de gewelddadige antisemitische Pijlenkruizers. De Pijlenkruizers vestigden direct een terreur in Boedapest. Bijna 80.000 Joden werden gedood in Boedapest zelf, neergeschoten op de oever van de Donau en daarna in de rivier geworpen. Duizenden anderen werden gedwongen dodenmarsen te maken naar de Oostenrijkse grens. In december, tijdens de belegering door de Sovjets van de stad, werden 70.000 Joden naar een getto gedreven en stierven duizenden van de kou, aan ziekten en van de honger.
Tienduizenden Joden in Boedapest werden gered tijdens het regime van de Pijlenkruizers door leden van het Hulp- en Reddingscomité en andere Joodse activisten, in het bijzonder leden van de zionistische jeugdbeweging, die identiteitspapieren vervalsten en hun voedsel gaven. Deze Joden werkten samen met buitenlandse diplomaten, zoals de Zweed Raoul Wallenberg, de Zwitser Carl Lutz en anderen, die vele Joden internationale bescherming gaven.
In april 1945 werd Honagrije door het Sovjetleger bevrijd. Zo’n 568.000 Hongaarse Joden zijn tijdens de Holocaust omgekomen.

Met dank aan Yannick Servais voor zijn inzet en bijdrage aan het tot standkomen van deze beknopte encyclopedie.
Encyclopedia of the Holocaust, In Association with Yad Vashem, The Holocaust Martyrs' and Heroes' Remembrance Authority, Dr. Robert Rozett and Dr. Shmuel Spector, Editors, Yad Vashem and Facts On File, Inc., Jerusalem Publishing House Ltd, 2000.