Friends  |  Press Room  |  Contact Us

The International School for Holocaust Studies

Beknopte encyclopedie van de Holocaust

Getto

Een straat of stadswijk waar alleen Joden woonden. Het woord getto werd voor het eerst in 1516 in Venetië gebruikt, als deel van de zinsnede Geto Nuovo wat nieuwe Gieterij betekent . Dit sloeg op het afgesloten deel van de stad dat oorspronkelijk een gieterij had geherbergd. In de Tweede Wereldoorlog werden de Joden van Oost-Europa gedwongen in getto’s te wonen, waar zij in feite gevangen werden gehouden.
Vele Joden stierven in de getto’s, maar er zijn geen bewijzen dat de getto’s oorspronkelijk werden opgezet met als doel Joden te vermoorden, of dat de nazi’s in de loop van de oorlog getto’s wilden gebruiken als plaatsen waar zij hun plannen de Europese Joden te decimeren, konden uitvoeren.
Niettemin bleven de Duitsers volkomen overschillig onder het hoge sterftecijfer van de Joden in de getto’s dat veroorzaakt werd door honger en gebrek aan andere noodzakelijke bestaansvoorwaarden.
Er is geen bewijs dat de nazi-leiders zelf de oprichting van de getto’s hebben gelast in de vorm die deze uiteindelijk kregen. Zelfs op 21 september 1939 toen Reinhard Heydrich opdracht gaf voor het centraliseren van de Poolse Joden in aparte gedeelten van steden en het woord getto gebruikte, bedoelde hij dit niet op de manier waarop de getto’s uiteindelijk werden opgezet. Dus was elk getto uniek in hoe en wanneer het werd opgezet, hoe het was afgesloten van de rest van de stad en hoe het werd bestuurd.
Het eerste getto in Polen werd in oktober 1939, een maand na het uitbreken van de oorlog, in de stad Piotrkow Trybunalski gebouwd. Vervolgens werd er op 30 april 1940 een getto afgesloten in de stad Lodz. Het grootste getto in Europa was dat van Warschau, dat werd opgezet in november 1940. Slechts vier maanden later, in maart 1941, was de bevolking toegenomen tot 445.000. In andere gebieden werden pas later getto’s ingericht. De getto’s in Silezië (in wat nu Zuidwest-Polen is) werden gebouwd aan het eind van 1942 en het begin van 1943. In de delen van de Sovjet-Unie die door de Duitsers waren bezet, werden meestal getto’s opgezet nadat een aantal plaatselijke Joden waren vermoord.
Er werden ook getto’s ingericht in Hongarije, Amsterdam en Therezienstadt.
Elk getto was afgesloten en werd op de plaatselijke noodzakelijke manier bewaakt. Het getto van Lodz was van de rest van de stad afgesloten met een houten schutting en prikkeldraad. Hier en daar stond ook een stenen muur. Er stonden bewakers binnen en buiten de scheidslijn. Het getto van Warschau was door een 18 kilometer lange muur omgeven. Bewakers patrouilleerden langs de muren en bij de poorten. Maar het was mogelijk voedsel en andere artikelen het getto binnen te smokkelen. Het getto van Piotrkow Trybunalski had geen afscheiding en geen bewakers. Polen konden ongestoord het getto in en uit gaan en de Joden mochten buiten het getto komen. Pas aan het eind van 1941 werd het afgesloten. In oktober van dat jaar beval Hans Frank, hoofd van het Gouvernement-General, iedere Jood die zonder toestemming buiten het getto werd aangetroffen neer te schieten. Bovendien werden de meeste getto’s tijdens de deportaties afgesloten.
Elk getto werd op zijn eigen manier bestuurd. Omdat het getto in wezen een stad in een stad was, waren de Joden gedwongen hun eigen diensten en instellingen te organiseren, iets waar ze geen ervaring mee hadden. Behalve het leiden van de Judenräte, die waren ingesteld voordat de getto’s er waren en een aparte eenheid vormden, bestuurden de Joden in de getto’s ook de postdienst, de politie en verschillende andere diensten, die normaal door de stad werden verzorgd. Ze moesten ook voedselrantsoenen uitdelen en zorgen voor huisvestiging, gezondheidszorg en werk. Soms bestond een getto uit twee delen: een voor de werkenden en een voor de rest van de bevolking. In sommige getto’s verbleven ook andere categorieën vluchtelingen dan Joden. In het getto van Lodz woonden bijvoorbeeld enige tijd Zigeuners. Joden die in de getto’s in het oosten woonden verkregen hun voedsel op twee verschillende manieren: van de officiële Duitse leveranciers en van de onofficiële zwarte markt. Officieel kregen de Joden bonkaarten waarop zij veel minder konden kopen dan wat de rest van de bevolking ervoor kon krijgen. Halverwege 1941 gaven de Duitsers in Polen bonkaarten uit die voorzagen in slechts 184 calorieën per dag – 7,5 procent van het dagelijks minimum. De Duitsers kregen zelf het volledige rantsoen en de Polen ontvingen 26 procent van de dagelijkse behoeften. Om deze armzalige rantsoenen aan te vullen moesten de Joden buitensporig hoge prijzen betalen voor voedsel dat op de zwarte markt werd verkocht.
Omdat de meeste Joden heel weinig geld hadden, stierven velen de hongersnood. Alleen rijke Joden konden het zich veroorloven op de zwarte markt te kopen. Sommige Joden die in Duitse fabrieken werkten, kregen eten op hun werk.
In sommige gevallen gebruikten de Duitsers verschillende namen voor de gebieden waarin zij Joden dwongen te wonen. Meestal gebruikten ze de gebruikelijke benaming: getto. Maar soms noemden zij deze gebieden Jüdischer Wohnbezirk, Joodse wijk.
Spoedig na het begin van de Endlösung der Judenfrage begonnen de Duitsers met het opheffen van de getto’s. De eerste getto’s werden in het voorjaar van 1942 ontruimd. Het laatste Poolse getto, Lodz, werd in de zomer van 1944 opgeheven. De meeste Joden uit de getto’s werden gedeporteerd naar vernietigingskampen, waar zij werden vermoord. Slechts een klein aantal werd tegen het einde van de oorlog naar concentratie- en dwangarbeiderskampen overgebracht. Bijna alle Joden van Oost-Europa waren gedwongen hun huis te verlaten en in de getto’s van hun woonplaats te gaan wonen. Aan het eind van de oorlog was er geen enkel getto in Oost-Europa meer over. In Hongarije, waar de laatste getto’s in 1944 werden opgezet, bestonden deze slechts enige weken in afwachting van de deportatie van de Joden naar Auschwitz. In januari 1945, toen Pest door het Sovjetleger werd veroverd, hoefde alleen het getto van Boedapest nog maar te worden bevrijd.

Met dank aan Yannick Servais voor zijn inzet en bijdrage aan het tot standkomen van deze beknopte encyclopedie.
Encyclopedia of the Holocaust, In Association with Yad Vashem, The Holocaust Martyrs' and Heroes' Remembrance Authority, Dr. Robert Rozett and Dr. Shmuel Spector, Editors, Yad Vashem and Facts On File, Inc., Jerusalem Publishing House Ltd, 2000.